web[oor]log


JAGEN OP HET VERKEERDE WILD
december 8, 2009, 21:47
Filed under: Afghanistan, De Groene Amsterdammer, Taliban

Obama mag dan een nieuwe strategie hebben opgediend voor de oorlog in Afghanistan, maar weten we wel wie de Taliban zijn? Het zijn niet meer de stenentijdperkers van weleer. De neo-Taliban hebben zich verjongd en dingen nu met succes naar de gunst van de Afghanen. Alleen: we willen het niet zien, want we durven het ons niet voor te stellen.

DE ENIGE TALIBAN-STRIJDER die ik ooit zag was dood. Hij werd weggedragen door oude mannen. De jonge mannen waren weggevlucht voor de Nederlandse troepen die de Baloechivallei in Uruzgan waren binnengetrokken. Was hij wel een strijder? Volgens zijn bergers was de dode, wiens ogen nog geopend waren, een onschuldige herder. Hij droeg dezelfde kleding als zij, hij was niet omwikkeld met patroonbanden, droeg geen tassen voor zijn kalasjnikovmagazijnen. En toch wisten de Nederlanders zeker: hij was een combattant. Gesneuveld tijdens een aanval de dag ervoor. Verderop lag een bebloede tulband van een andere Talib, die in zijn hoofd werd geraakt en eveneens stierf.

Dat was in 2007, toen de Taliban weer gebied wisten te veroveren. Toen ik voor het eerst in Afghanistan kwam, in september 2004, was dat nog onvoorstelbaar. In de weken vóór de eerste presidentsverkiezingen ooit in Afghanistan was het vredig in Kaboel. De stad was wel kapotgeschoten en vervuild, maar met de komst van buitenlandse militairen, diplomaten, hulpverleners en journalisten na het verdrijven van de Taliban eind 2001, begon er zowaar weer wat te bruisen. Een week voor de parlementsverkiezingen werd in een door Duitsers beheerd guesthouse een dagen durend ‘Oktoberfest’ gehouden. Met bier en braadworst, geopend door de Duitse ambassadeur. De Afghanen, vrome moslims, spraken er schande van. Toen al begon de verwijdering.

In het zuidoosten, bij de Pakistaanse grens, rommelde het. Nu en dan drongen berichten tot de hoofdstad door over nachtelijke aanvallen van onbekende strijders. Kleinschalig, toen nog, en steeds gericht tegen kleine voorposten bemand door slecht bewapende en nog slechter getrainde Afghaanse veiligheidstroepen. Op het busstation in Kaboel waar de bussen uit Kandahar aankwamen en vertrokken interviewde ik buschauffeurs en passagiers. Ze vertelden dat ze niet konden reizen met hun verkiezingspas op zak. Strijders hielden bussen aan en vermoordden iedereen die zich als kiezer bleek te hebben ingeschreven. Ik vroeg of het Taliban-strijders waren.
‘Natuurlijk’, was het verbaasde antwoord. ‘Wist je dat dan niet? Ze zijn terug.’

Achteraf gezien, maar destijds nog onopgemerkt, ontstond de opstand die nu heel Afghanistan in zijn greep heeft al eind 2002, een jaar na de val van Kandahar, het laatste Taliban-bolwerk. Dit werd mogelijk omdat verzuimd werd het beest de kop af te slaan. De mythische, eenogige Taliban-leider moellah Mohammed Omar ontkwam en kon een nieuwe organisatie opbouwen vanuit Pakistan, met dank aan Karzai en de Amerikanen. Hamid Karzai, toen nog interim-president, streefde verzoening na. Hoe hardvochtig de Taliban ook waren geweest jegens vrouwen, vrijheid, democratie en alles wat afweek van ‘de zuivere islam’, als de strijders van weleer de nieuwe democratisch gekozen regering accepteerden zouden zij amnestie krijgen, verkondigde Karzai keer op keer. Veel Taliban-strijders en veldcommandanten werden door de Afghanen vrijgelaten. Aanvankelijk steunden de Amerikanen Karzai’s verzoeningsstreven – het ging hen om de masterminds van al-Qaeda en het regime dat hen onderdak had geboden, niet om de bestuurders en het voetvolk van de Taliban.

Het gevolg was dat veel Taliban-commandanten konden vluchten naar Pakistan, waar ze betere tijden afwachtten in de grensstreken. Ze streken neer in Pesjawar en de tribale gebieden in het noordwesten, en in Quetta in het zuidwesten: gebieden die ook tijdens de jihad tegen de Russen (1979-1989) het veilige achterland vormden van de opstandelingen. Gewone strijders en lagere commandanten keerden terug naar hun dorpen, waar een armoedig bestaan wachtte. Ze waren makkelijk opnieuw te rekruteren door moellah Omar, want van de ontwikkeling van het platteland kwam weinig terecht.

‘HOOP’ was het sleutelwoord in de eerste jaren na het verdrijven van de Taliban. Maar hoop verhinderde een nuchtere analyse van wat gaande was. Weinigen beseften in die dagen dat de Amerikanen hun militaire en vooral ook hun civiele middelen, waarmee ze de werkloze ex-strijders een bestaan hadden kunnen verschaffen, vrijwel volledig zouden overhevelen naar de drijfzanden van Irak. Zelfs de spionagesatellieten werden boven Afghanistan weggehaald, zodat de nieuwe trainingskampen van de Taliban net over de grens met Pakistan en de snelle opbouw van hun militaire capaciteit niet werden opgemerkt, onthulde Afghanistan-specialist Ahmed Rashid vorig jaar in zijn boek De dreiging van chaos. Toen Nederland in 2006 begon aan de Isaf-missie in Uruzgan werd het aantal Taliban-strijders geschat op enkele honderden. In werkelijkheid waren het er veel meer.

Waar wél zichtbaar was dat er iets grondig mis was, werd de andere kant op gekeken. Na de presidentsverkiezingen van oktober 2004, die werden gewonnen door Karzai, feliciteerde de wereld Afghanistan met deze democratische mijlpaal. Dat toen al fikse fraude plaatsvond werd weggewuifd, ook door westerse journalisten. Kritiek op de Afghaanse democratie was indertijd not done. Ik raakte verzeild in een bizarre discussie met enkele Nederlandse collega’s in Kaboel toen ik vertelde dat ik werkte aan een artikel over fraude met stemkaarten. Zij vonden dat het geen pas gaf zo’n prille democratie meteen onderuit te halen.

Het echte verhaal ging schuil achter de verkiezingen van 2004: de regering faalde in het verlichten van het bestaan van de gewone Afghanen. Drie jaar na het verdrijven van de Taliban was Afghanistan opnieuw vervallen tot wetteloosheid en corruptie. Het platteland werd geteisterd door milities. Vaak waren hun ongeregelde strijdkrachten als Afghan Militia Forces opgenomen in het Afghaanse leger. Hun commandanten – de beruchte krijgsheren – die de bevolking afpersten en er privé-gevangenissen op nahielden waar hun tegenstanders werden gemarteld, werden en worden niet zelden betaald door de Amerikanen. Het recente nieuws dat de halfbroer van de president, Ahmed Wali Karzai, die heerst over de zuidelijke regio, op de payroll staat van de CIA mag schokkend zijn voor westerlingen, voor Afghanen is het gesneden koek.


De Amerikanen steunen krijgsheren omdat ze hopen dat die met hun wrede milities de Taliban de baas kunnen. Een faliekante misrekening, want juist de corruptie, het machtsmisbruik, de verkrachtingen en martelpraktijken van deze lieden gaven de Taliban de kans met brede steun van de bevolking tussen 1994 en 1996 vrijwel geheel Afghanistan te veroveren. Met de groeiende macht van de krijgsheren groeiden ook de smokkelpraktijken en de opiumproductie. In de jaren na 2004 werd ook Karzai’s regering steeds meer met corruptie geassocieerd. Mijn tolk Hashim, een jonge Afghaan, stemde niet in de laatste presidentsverkiezingen. ‘Ik wil niet dat met mijn stem opnieuw een corrupte regering aan de macht komt’, vertelde hij.

EEN FALENDE democratie, een machteloze president, corrupte overheidsdienaren en onaanraakbare krijgsheren die de bevolking uitbuiten: een vruchtbaarder grond voor een opstand konden de Taliban zich nauwelijks wensen. Ze nestelden zich in dorpsgemeenschappen en begonnen strijders te ronselen. In gebieden die ze nog niet onder controle hadden telden hun strijdgroepen maar drie tot vijf man. Pas als de bevolking op hun hand was, vormden ze grotere eenheden. Dat leerden ze uit het guerrillahandboek van Mao Zedong. Vanaf 2006 hadden zij het oosten en het zuiden zodanig geïnfiltreerd dat ze zich waagden aan grootscheepse aanvallen. De Nederlanders in Uruzgan moesten hard vechten om de districten Chora en Deh Rawod voor Isaf te behouden. Taliban-groepen bedreigden zelfs Kandahar, de tweede stad van het land.

In het recent verschenen boek Decoding the New Taliban van Antonio Giustozzi wordt beschreven hoe de Taliban zich steeds minder richten op vechten, maar vooral de rechtspraak gebruiken om mensen in hun kamp te trekken. Rondreizende Taliban-rechters wijzen effectief vonnis en bieden de bevolking daardoor zekerheid en een vorm van bescherming. Die missen zij in de gebieden die door de overheid worden gecontroleerd. In Uruzgan sprak ik in juni 2008 met de openbaar aanklager, een droef gestemd man. ‘De mensen gaan naar de Taliban als ze hun recht willen halen’, zei hij. ‘Als ze bij mij komen moeten ze soms maanden wachten, de Taliban spreken meteen recht.’ In Afghanistan verdienen rechters nog geen honderd dollar per maand – samen met politieagenten vormen zij een van de corruptste beroepsgroepen. In Uruzgan is er niet eens een rechter.

Over de huidige Taliban heersen veel misvattingen. Veel Nederlanders denken dat zij een stelletje starre religieuze fanatici zijn die terug willen naar de voorbije tijden van de Profeet, en nauwelijks steun hebben in Afghanistan. In 2006 liet Najibullah Alisai (23) me in Kandahar zien dat dit niet klopt. Hij had zich verkiesbaar gesteld voor de provinciale raad en kreeg de steun van de Taliban. ‘Twee commandanten kwamen het me vertellen. Ik ben jong genoeg om nog onbedorven te zijn, dus leek het ze goed als ik in het parlement kwam. De Taliban zijn niet alleen maar slecht. Ze helpen de bevolking ook. Ze stemmen zelfs als ze denken dat dat hun zaak dient.’ Hij liet vellen zien met kopieën van tweehonderd identiteitskaarten van mensen die zijn kandidatuur steunden. Zo’n zestig van hen behoorden tot Taliban. Jonge mannen met zwarte en witte tulbanden en nog dunne baarden. Hij wees aan: ‘Die is dood, die, en die.’ Bij een jonge jongen, het gezicht onder de tulband nog bijna baardloos: ‘Hem kende ik goed. Zijn eenheid vocht in Uruzgan. Daar is hij gesneuveld.’ Zijn eigen sympathie lag eveneens bij de Taliban, ook al vond hij contact met buitenlanders uit niet-moslimlanden geen probleem. Als hun verblijf in zijn land maar tijdelijk was.

Volgens Taliban-onderzoeker Antonio Giustozzi, verbonden aan het Crisis States Research Center van de London School of Economics, vormen jonge jihadi’s, zoals de vrienden van Najibullah, de geduchtste strijders van wat inmiddels de neo-Taliban is gaan heten. De beweging heeft zich verjongd en maakt gebruik van woordvoerders, websites en satelliettelefoons om haar boodschap te verspreiden. Giustozzi schat dat zo’n 15 tot 25 procent van de Taliban-strijdgroepen wordt gevormd door jonge fanatieke jihadi’s van het Afghaanse platteland. Zij worden geronseld door de dorpsmoellahs en zijn vatbaar voor de salafistische Taliban-ideologie. De grootste groep Taliban-strijders (veertig tot vijftig procent) bestaat uit wat Giustozzi ‘lokale bondgenoten’ noemt. Zij kiezen de zijde van de Taliban om zo hun lokale rivalen dwars te zitten of omdat ze geen belang hebben bij te veel regeringsmacht vanuit Kaboel. Ook zij hebben geen problemen met een hernieuwde Taliban-heerschappij. Dat werpt nieuw licht op onderzoeken die moeten aantonen dat het merendeel van de Afghanen de Taliban verwerpt. Het is moeilijk te verkroppen voor het Westen, dat meende Afghanistan bevrijd te hebben. Zolang de Taliban zorgen voor veiligheid, rechtspraak en opiuminkomsten hebben veel Afghanen blijkbaar geen problemen met hun ideologie.

Volgens Ahmed Rashid, aan de telefoon vanuit Madrid waar hij een lezing geeft, lijken de Amerikanen en de Navo blind voor de factoren die de steun voor de neo-Taliban bepalen: ‘Het gaat niet alleen om materiële zaken. De bevolkingssteun wordt bepaald door een mix van ideologische en pragmatische factoren. Ideologisch is belangrijk dat de Taliban vechten tegen ongelovigen. Ze vechten een heilige oorlog, een oorlog voor de islam en om de Amerikanen eruit te krijgen. Een strijd tegen ongelovige indringers. Dat spreekt vrijwel alle Afghanen aan.’
Een explosieve mix van nationalisme en religie is ook zichtbaar in de interviews die de Canadese krant The Globe and Mail door een Afghaanse medewerker liet uitvoeren onder 42 Taliban-strijders. De interviews werden gefilmd met een simpel cameraatje, de strijders hadden hun wapens binnen handbereik en meestal een doek voor hun gezicht. Ze zijn afkomstig uit vrijwel alle Pasjtoen-stammen die het zuiden van Afghanistan bevolken. Ook uit de Popolzai, waartoe Hamid Karzai behoort. Allen zeggen te vechten tegen de buitenlandse troepen, omdat ze indringers zijn en ongelovigen bovendien.

ZONDER STEUN van de bevolking kan geen enkele guerrillabeweging overleven. En de Taliban overleefden niet alleen, ze zijn zo sterk geworden dat Amerikaanse generaals smeken om tienduizenden extra troepen. Toch is nauwelijks onderzoek gedaan naar de aantrekkingskracht van de Taliban-beweging, signaleert Abdulkader Sinno, een politicoloog aan de Amerikaanse Indiana University, in de bundel The Taliban and the Crisis of Afghanistan. Het Taliban-succes in de jaren negentig werd net als nu toegeschreven aan externe factoren: steun van Pakistan, geld uit de Golfstaten en Saoedi-Arabië, buitenlandse jihadstrijders in de gelederen. Volgens Sinno is echter veel belangrijker dat de Taliban de taal spreken van de arme plattelandsbewoners, zo’n negentig procent van de Afghanen. Met een mix van religie, traditie en vernieuwing (het overstijgen van de stammentegenstellingen) weten ze degenen die de regering steunen in hun kamp te trekken. Hij laat de verontruste lezer geen illusie: Navo-militairen noch internationale hulpverleners kunnen hier iets tegen inbrengen, want als buitenstaanders zullen zij nooit de juiste snaar weten te raken.

Behalve uit nationalisme en religie putten de jonge strijders van de neo-Taliban uit nog een krachtige inspiratiebron: de strijd tegen die andere grootmacht, Rusland, die het onderspit dolf in Afghanistan. Zij noemen zich ‘moedjahedien’, net als degenen die de jihad tegen de sovjets vochten. Elke jihadstrijder is strikt gesproken een moedjahid, maar de oude Taliban wierpen die term verre van zich. Hij was te zeer verbonden met de krijgsheren die zij bestreden. De nieuwe generatie heeft hem als geuzennaam geadopteerd. Ook de strijdmethoden van hun illustere voorgangers namen ze over. Dat is vast te stellen aan de hand van het boek Afghan Guerilla Warfare: In the Words of the Mujahideen Fighters. Daarin werden in opdracht van het US Marine Corps moedjahedien-commandanten geïnterviewd over hun succesvolle tactieken. Ironisch genoeg verscheen het boek in 2001, het jaar waarin de VS Afghanistan aanvielen. Allerlei typen hinderlagen en aanvallen worden erin beschreven, vaak vrijwel exact gekopieerd door de neo-Taliban. Veel aandacht is er ook voor het gebruik van bermbommen – de Amerikanen hadden zich niet hoeven laten verrassen.

Ook de Nederlanders niet. Ronduit griezelig is de beschrijving van een grote aanval op de regeringsmilitie in Deh Rawod in 1984 door een groep samenwerkende moedjahedien-commandanten. Op vrijwel dezelfde manier werden in september 2007 de Nederlanders in Deh Rawod overvallen. Volgens de geïnterviewde commandanten was Uruzgan in 1984 voor de moedjahedien door zijn centrale ligging van belang als basis voor reservetroepen en bevoorrading. Ook de Taliban kennen de provincie die functie toe, zegt Giustozzi: ‘Uruzgan is voor de Taliban belangrijk wegens doorgangsroutes en rustplaatsen. De Nederlanders bedreigen die functie van Uruzgan niet en dat houden de Taliban graag zo. In de kleine delen die de Nederlanders beheersen doen ze het niet slecht, maar het zijn de Taliban die het succes bepalen. Zolang ze niet willen dat Uruzgan een strijdtoneel wordt zal het er relatief goed lijken te gaan.’
Dat beeld spreekt ook uit het rapport dat de Tribal Liaison Office (TLO) in september presenteerde over de situatie in Uruzgan. In het district Khas Uruzgan heersen de Taliban. Het is er veiliger dan in bijvoorbeeld de Baloechivallei, die je vanuit Kamp Holland, de hoofdbasis van de Nederlanders, kunt zien liggen. Isaf staat al lang niet meer garant voor veiligheid. Het TLO-rapport laat zien hoe de meeste stammen het zekere voor het onzekere nemen en zowel invloed proberen te verwerven in kringen van het officiële districtsbestuur als in de rangen van de opstandelingen. Ze houden rekening met een overwinning van de Taliban.

Niet alleen hebben de Amerikanen en de Navo geen benul van de aantrekkingskracht die hun vijand op de bevolking uitoefent, ze hebben evenmin een afdoende antwoord op de tweedehands strijdmethoden van de neo-Taliban. En dat terwijl ze door de US Marines zelf in kaart zijn gebracht. Eind november leed Isaf een gevoelige nederlaag. Amerikaanse troepen waren gedwongen al hun bases in de ruige, bergachtige provincie Nuristan op te geven. Nuristan ligt aan de Pakistaanse grens, bij de tribale gebieden. Nu kunnen de Taliban ontsnappen aan het Pakistaanse offensief dat hen had moeten vermorzelen in Zuid-Waziristan – Nuristan is hun nieuwe vrijhaven. De reden dat de Amerikanen zich terugtrokken is alarmerend: de Taliban kregen alle toegangswegen in handen, waardoor bevoorrading in de winter onmogelijk zou zijn – een gouwe ouwe uit het moedjahedien-handboek.

Dát ze het voor elkaar kregen is zo mogelijk nog verontrustender. Tot nog toe vonden de Taliban vooral steun onder de Pasjtoen, het grootste volk van Afghanistan waaruit de meeste Taliban-strijders afkomstig zijn. Maar in Nuristan wonen lichtharige, blauwogige Nuristani – volgens de overlevering zouden zij afstammen van de troepen van Alexander de Grote. Zij zijn géén Pasjtoen en toch steunen ze de Taliban. Als die ontwikkeling zich doorzet bij de andere volkeren van Afghanistan zal na de Britten en de Russen weldra opnieuw een wereldmacht in problemen komen in het onbeheersbare Afghanistan.

‘Het is de perceptie dat ze aan het winnen zijn’, verzucht Ahmed Rashid, ‘daardoor groeit hun steun. Afghanen zijn heel pragmatisch, ze kiezen de kant van de winnende partij. Ze zien dat de oude underdog het beter doet dan al die moderne troepen die hem bestrijden, dus keren ze zich van de regering af en verenigen ze zich achter de Taliban. De mensen verbergen hen, voeden hen, sturen hun zonen om mee te vechten. Soms uit angst, soms uit sympathie, maar de laatste tijd vooral uit pragmatisme. Ik merk steeds vaker dat het geduld van de mensen op is. Ze waren niet tegen de komst van buitenlanders als dat zou helpen om de situatie te verbeteren. Maar het gaat steeds slechter, en nu keren sommigen zich tegen de buitenlandse troepen.’


En intussen blijven de Amerikanen jagen op het verkeerde wild. Zij beschouwen transnational terrorists – de Arabieren, Tsjetsjenen, Oezbeken en Pakistanen die met de Taliban meevechten – als het grootste gevaar, terwijl dat juist wordt gevormd door gedesillusioneerde Afghanen. De buitenlandse jihadi’s worden volgens analisten gehaat en vormen nog geen vijf procent van de voltijdsstrijders.

‘Nog buitenlandse strijders gezien?’ vraagt een Amerikaanse officier tijdens een patrouille aan een boer. ‘Jazeker’, antwoordt die. ‘Jullie.’

© JOERI BOOM / De Groene Amsterdammer


1 reactie so far
Plaats een reactie

Een eye-opener. En ik dacht redelijk op de hoogte te zijn. Zou iedereen moeten lezen.

Reactie door Michiel Mans




Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: