web[oor]log


Defensie is een kwakkelende leerling
oktober 8, 2007, 15:17
Filed under: Afghanistan, Deh Rawod, Uruzgan september 2007

Opposing Media Forces

Als weekbladjournalist komt het soms voor dat je wordt ingehaald door de actualiteit. In het artikel De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen schreef ik het volgende:

“Hoe de tegenstelling vechtmissie-opbouwmissie in de wereld is gekomen, is onduidelijk. Het is opmerkelijk dat Defensie het hoofd ernaar laat hangen […] Bang als het is voor het predikaat vechtmissie, moffelt het ministerie berichten over de strijd weg zolang de situatie het toelaat. Daardoor ontstaat een vertekend beeld.”

Die opmerking is achterhaald. Op de dag van publicatie (woensdag 3 oktober) vertoonde het NOS Journaal met toestemming van Defensie filmopnamen van een vuurgevecht tussen Nederlandse militairen en de taliban in de Chora-vallei. Na de beelden (die overigens al anderhalve maand oud zijn) werd minister Van Middelkoop aan het woord gelaten. Hij maakte duidelijk dat Nederland in Uruzgan wel degelijk ook tot taak heeft om te vechten. Daarmee ontworstelde Defensie zich eindelijk aan de wurggreep waarin ze werd gehouden door de nonsens-discussie over opbouw- of vechtmissie.

De Isaf-opdracht luidt: “[het bevorderen van] stabiliteit en veiligheid door het vergroten van de steun van de bevolking voor de Afghaanse autoriteiten.” Het opbouwwerk van de militaire provinciaal reconstructieteams en “de wederopbouw door anderen” vormen “belangrijke onderdelen” van de missie, maar zijn niet het doel. Dat staat in de artikel 100-brief waarmee de regering al in december 2005 de Kamer informeerde over haar besluit troepen naar Uruzgan te zenden.

Gelukkig voldoet Defensie nu aan de wens van vele militairen: laat zien wat er werkelijk gebeurt in Uruzgan. Dat is een late, maar belangrijke stap richting de openheid en continuïteit die Defensie in haar eigen Communicatieplan Uruzgan zegt na te streven.

Schieten met een camera
Ik kende de opnamen al die het Journaal op woensdag 3 oktober uitzond. Ze werden gemaakt door sergeant-1 Gerben van Es, in de groene zone van de Chora Vallei.

Gerben is combat-fotograaf. Een van de weinige échte binnen de krijgsmacht. Hij draagt de rode baret van de Luchtmobiele Brigade en is jaren infanterist geweest. Ik ging enkele keren met hem op patrouille. Hij hanteert dan fotocamera en geweer. Tijdens het vuurgevecht dat te zien was op het Journaal, filmde hij onder omstandigheden waarbij een gewone infanterist zou grijpen naar zijn wapen. Pas toen de eenheid op een smal weggetje niet alleen in de flank maar ook in de rug werd aangevallen, verwisseldde hij camera voor ‘buks’. Maar niet nadat hij een seconde of twintig had gefilmd terwijl hij onder vuur lag. “Ik zou eigenlijk een klein cameraatje op m’n buks moeten monteren”, zei hij nadat hij me een maand geleden zijn filmbeelden had laten zien op Kamp Holland, te Tarin Kowt.

Toen ik Gerbens beelden zag, weigerde Defensie ze vrij te geven. Net als Peter ter Velde en cameraman Eric Feijten, beide werkzaam voor het NOS Journaal – we komen elkaar regelmatig tegen in Uruzgan – wist ik dat Gerbens’ opnamen lieten zien hoe het werkelijk was, en nog steeds is, in de Chora Vallei. Eric kreeg de beelden van Gerben mee, op voorwaarde dat ze slechts zouden worden uitgezonden als daar toestemming voor was van het ministerie.

Eind juni trok ik tien dagen op met de eenheid van majoor Stephan die op de beelden het gevecht leidt. De situatie was erg gespannen en enkele keren werd het vuur geopend. Echte aanvallen bleven uit. Tijdens een van de patrouilles maakte de eenheid jacht op dezelfde talibancommandant (Hekmat) op wie de majoor ook in Gerbens beelden gebeten is. Over die tochten schreef ik een reportage in het Algemeen Dagblad. Binnenkort verschijnen filmbeelden van die ervaringen op de website van De Groene Amsterdammer.

Propagada versus (iets meer) openheid
De NOS-uitzending toont een radicale beleidswijziging van de Defensievoorlichters. Dat was hard nodig. De spanning tussen de werkelijkheid in Uruzgan en de officiële lijn die Defensie daarover uitdroeg in haar persberichten en periodiek overzichten werd veel te groot.

De voorlichters overschreden de propagandagrens toen begin september in Deh Rawod vrijwel alle Afghaanse politie- en militieposten onder de voet werden gelopen in een goed gecoördineerd talibanoffensief. Ik was toen in het district. Bijna alle pelotons van de kleine basis in Deh Rawod trokken erop uit om te vechten. Toch sprak Defensie van “beperkte vuurcontacten” en propte haar periodiek overzicht vol met breed uitgemeten maar kleinschalig en oudbakken opbouwwerk. Dat noopte me het toenmalige persbeleid van Defensie op BNR Nieuwsradio en in De Groene Amsterdammer te kwalificeren als “riekend naar propaganda”.

“Dat artikel heeft ertoe bijgedragen deze stap te zetten”, vertelt luitenant-ter-zee Robin Middel. Als woordvoerder operaties is hij verantwoordelijk voor de voorlichting over Uruzgan. “We vonden aanvankelijk dat journalisten een vergrootglas legden op elke tic (afkorting van troops in contact, jargon voor ‘aanval’). Een tic kan klein zijn. Bijvoorbeeld een 107mm-raket die ver van de patrouille terechtkomt maar enigszins in de richting werd afgevuurd. Maar nu zijn de gevechten in omvang toegenomen. Daar willen we open over zijn.”

Eerder droeg commandant der strijdkrachten Dick Berlijn nog uit dat er teveel aandacht was voor “negatieve zaken” waarmee hij doelde op gevechten. Nu verkondigde hij in Nova: “We willen een eerlijk beeld overbrengen en ook laten zien dat de missie niet alleen om wederopbouw gaat. De perceptie moet niet uit de pas lopen met de werkelijkheid in Afghanistan.”

En zo moet het zijn. Tamelijk verwarrend is dat SP-parlementariër Harry van Bommel juist het tonen van de gevechtsopnamen “propaganda” noemde. Hij meent dat Defensie de perceptie van de missie nu wil omvormen van een opbouwmissie naar een vechtmissie. Eerder beweerde de SP het tegendeel. De partij was van meet af aan tegen de troepenzending naar Uruzgan. Ze schuwt zelf de onwaarheid niet om haar punt kracht bij te zetten (dat heet: propaganda). Zo is de partij met GroenLinks en twee anti-oorlogplatforms de uitgever van een wijd verspreid krantje waarin de Nederlandse troepen worden vergeleken met “doodseskaders” en de Isaf missie “extreem gewelddadig” wodt genoemd. Beide beweringen zijn onwaar, leert eigen waarneming ter plaatse.

Ook Hans de Vreij van de Wereldomroep oppert dat het juist nu tonen van gevechten te maken heeft met de discussie over het verlengen van de missie, die volgens plan zou aflopen in augustus volgend jaar. De vraag is wat Defensie daarbij te winnen heeft. Het lijkt er veeleer op dat de beelden haar in de vingers zouden kunnen snijden. De beelden hebben indruk gemaakt in Nederland. Zij zouden door tegenstanders van verlenging kunnen worden aangegrepen om weer te gaan roepen dat Uruzgan een vechtmissie is.

Wellicht wil Defensie met de beelden een pleidooi ondersteunen voor méér troepen. Die zijn inderdaad hard nodig in Uruzgan, aangezien de Afghaanse regering haar afspraken over de inzet van het regeringsleger ANA niet nakomt en de ANAP-hulpagenten slecht getraind en bewapend zijn en soms maandenlang geen salaris ontvangen. Bij Deh Rawod verlieten sommige politiecommandanten in het zicht van de taliban dan ook liever hun post dan te vechten. Nederland heeft die extra troepen echter niet.

Loslopende Gurkha’s
Terwijl Defensie in Den Haag een stap zette richting openheid, brak in Tarin Kowt juist commotie uit, in tegengestelde richting. Het betrof een onhandigheid van de voorlichters aldaar.

Afgelopen week meldde verslaggever Arthur de Leeuw in een radioreportage iets onschuldigs over de Baloechi-vallei. Die zit vol met taliban. Of daar nog iets aan gedaan ging worden? Kolonel Nico Geerts, commandant van de Taskforce Uruzgan, gaf een vaag antwoord. Hij kon niets zeggen over “timings”, wel dat er “een brede operatie” op handen was in Uruzgan.

Punt was dat op de gang waar de werkvertrekken van de staf en de media zijn gevestigd een Britse Gurkha rondliep. Gurkha’s zijn beruchte Nepalese bergsoldaten in dienst van de Royal British Forces. Hij had hem niet zelf gesproken, vertelde Arthur me, maar Hanneke Chin-A-Fo van NRC/Handelsblad, die in Nepal heeft gewoond, wel. De Gurkha vertelde haar dat zijn eenheid bij een operatie in de Baloechi-vallei zou worden ingezet. In het interview met de kolonel kwam geen Gurkha voor, maar Arthur kreeg wat informatie van Hanneke en verwerkte die in zijn reportage. “Ik noemde aantallen”, vertelde hij. De reportage werd drie keer gecontroleerd. De bijstand van de Gurkha’s, met aantallen (zéér operationele informatie) werd aanvankelijk niet verwijderd. ‘s Avonds werd er op de deur van Arthurs gepantserde slaapvertrek gebonsd. De Gurkha’s moesten geschrapt. Arthur deed het zonder morren.

Een cruciale verwijzing van kolonel Geerts naar de Baloechi-vallei, middels het woordje “daar”, werd echter door de voorlichters over het hoofd gezien. De kolonel antwoordde op de vraag of er iets zou worden ondernomen in de Baloechi-vallei: “We zijn bezig – maar daar kan ik natuurlijk niet over uitweiden – om daar nog iets aan te gaan doen. Dat is een bredere operatie binnen heel Regional Command South die uitgevoerd gaat worden. Timings kan ik niks over zeggen, en ook wat we exact gaan doen is nog onduidelijk – anders zou ik teveel vertellen wat we van plan zijn, maar het richt zich op de provincie Uruzgan.”

De reportage mocht worden uitgezonden, maar het wantrouwen was gezaaid. De voorlichters wisten dat Arthur wist dat er een operatie in de Baloechi-vallei met Gurkha’s zou komen en dat zou hij vast ook melden aan zijn redactie. Naar aanleiding van diens radioreportage (op 1 oktober) tikte de BNR-redactie in Amsterdam een nieuwsberichtje en jawel, daarvan luidde de kop “offensief in Baloechi”. Met aanhalingsstekens en al, alsof het een citaat was van de kolonel. BNR heeft toegegeven dat de aanhalingstekens er ten onrechte stonden, maar wijst erop dat kolonel Geerts zélf spreekt van een “brede operatie” en verwijst naar de Baloechi Vallei.

Diezelfde dag verscheen het artikel van Hanneke Chin-a-Fo in NRC/Handelsblad. Zij mocht wél de Gurkha-op-de-gang aan het woord laten en melden dat Gurkha’s de Nederlanders komen bijstaan. Zonder aantallen. Ook het woord offensief kwam niet in haar stuk voor, de Baloechi-pas wel. Wie goed leest weet: daar komt een aanval, met Gurkha’s. Hanneke was al net zo verbaasd als Arthur. Zij had te maken met een andere voorlichter dan hij. “We begrijpen niet waarom ik niet en zij wel de Gurkha’s mocht melden”, vertelt hij. “Het is een chaos bij de voorlichters in Tarin Kowt.”

Vervolgens verschenen in allerlei kranten en blaadjes artikelen over de beruchte Gurkha’s, juichend verwijzend naar hun aanstaande operatiegebied, de Baloechi Valei. De Gurkha’s, met hun naar bloed dorstende kukri’s (messen), zijn altijd goed voor een sappig verhaal – je leest het om de zoveel jaar. Nederland begon reikhalsend uit te zien naar de eerste manoeuvres van deze haast mythische krijgers in de ontoegankelijke vallei.

Toen pas, drie dagen na uitzending van Arthurs reportage en pubicatie van Hannekes artikel, greep Defensie in.

Maatregelen tegen de pers
De perswerkruimte is verwijderd van de stafgang. “Kolonel Geerts wil niet steeds met een schuin oog naar de deur hoeven kijken waarachter journalisten zich ophouden voordat hij op de gang iemand aanspreekt”, zegt Defensie-woordvoerder Robin Middel. Bovendien kunnen loslopende Gurka’s zo redelijk aan de aandacht van de media worden onttrokken. Het is een slechte maatregel. Juist het ongedwongen off the record-contact met de stafleden biedt de journalist de achtergrond voor een acurate berichtgeving.

Verder dienen journalisten nóg beter herkenbaar te zijn op de bases. Alleen hun burgerkloffie is niet meer genoeg. CDS Dick Berlijn denkt aan een pas met daarop in grote letters “pers”, zei hij in Nova.

Misschien moet Berlijn eens gaan praten met Eric Feijten, van de Nos. Hij liet een met klitteband op de kleding te bevestigen stoffen naamplaatje maken, militairy style. Daarop staat: “persmuskiet”. Eric ontwierp ook een rondvormig onderscheidingsteken, net als het ronde Isaf-embleem te dragen op de rechter(journalisten)mouw. “OMF” heet voortaan het journalistieke bataljon. Dat staat in dit geval niet voor Opposing Military Forces, waarmee Defensie de taliban en aanverwante gewapende tegenstanders aanduidt, maar voor Opposing Media Forces. Het logo toont een aanvallende mug, de geslepen angel in de aanslag. Als we nog meer aan banden worden gelegd, kunnen we net zo goed onze eigen eenheid van combat-journalisten oprichten.

persmuskiet.jpg

Duimendraaiende combat-fotografen
Maar zelfs als je als fotograaf/cameraman of journalist een camoufagepak draagt en werkt voor Defensie, word je strakgehouden in Uruzgan. Ik ben er meermaals getuige van geweest hoe moeilijk het voor Gerben is om mee te mogen op gevechtspatrouilles. Dat lijkt begrijpelijk, aangezien een commandant niet wil dat de drills van zijn eenheid worden verstoord door personen die niet tot de eenheid behoren. Maar Gerben is een uitstekend getraind infanterist (ik zag hem in actie) en hij is bewapend.

Het is een raadsel waarom Defensiefotografen in Uruzgan “combat-fotografen” heten. Nederland zet hen zelden of nooit in tijdens gevechtsmissies. De Canadezen doen dat wel. Zij hebben een volledig combatgetrainde media-eenheid. Hun cameramannen en fotografen zijn erbij tijdens gevechten. In Canada bestaat dan ook een veel realistischer beeld van wat de troepen doen dan in Nederland. Dat Gerben niet is meegeweest tijdens de bataljonsaanval in de Chora Vallei op 19 juni, is een gemiste kans. Verscheidene officieren hebben naar die actie verwezen als een “historisch moment” in de Nederlandse naoorlogse militaire geschiedenis. Het was de grootste Nederlandse gevechtsactie sinds de Korea Oorlog. Dat moment kunnen we nu slechts herbeleven door oral history.

Dezelfde commandanten die Gerben niet meenemen klagen erover dat “de media” zo slecht berichtgeven. “Waarom schrijven jullie niet over wat wij echt doen?” Het werd me meer dan eens gevraagd. Maar als zelfs Defensie-journalisten en –cameramannen niet bij de gevechtsacties van hun eigen mensen mogen zijn, wordt het wel erg moeilijk om duidelijk te maken wat dat “echt doen” inhoudt. Voor een burgerjournalist is het nog veel moeilijker om aansluiting te vinden bij patrouilles die optrekken tegen de taliban (move to contact). Commandanten zijn geneigd om de journalist niet in gevaar te willen brengen. Maar juist bij die gelegenheden is de controlerende taak van journalisten van groot belang.

Defensie legde me geen strobreed in de weg toen ik meteen na de bataljonsaanval in Chora (ik kwam in Tarin Kowt aan op de dag dat die plaats had) naar de vallei wilde reizen. Ik kon er zonder belemmering rondwaren in de puinhopen en spreken met de bevolking. Maar het zou naast de geschiedschrijving ook onze democratie sieren als Defensie al tijdens de aanval een journalist en een cameraman/fotograaf in het gebied had geduld. Dan zouden we meer duidelijk hebben gehad over de burgerslachtoffers die daar door Nederlandse acties zijn gevallen.

Defensie kan een voorbeeld nemen aan de mediabewuste Amerikaanse strijdkrachten, die juist de pers mobiliseren vlak vóór een grote operatie. Niet erna, zoals Nederland doet. Ik ontving eens een mail van een Americaanse persofficier. “We gaan iets heel groots doen. Zorg dat je hier over twee weken bent, dan kun je mee.”

De verantwoordelijkheid van de (oorlogs)journalist
Niet alleen Defensie, ook de embedded reizende journalisten hebben hun verantwoordelijkheden. Journalisten in Uruzgan zouden met oorlogsgevaar moeten kunnen omgaan. Probleem is dat veel van de pers die Kamp Holland aandoet weinig weet van de krijgsmacht, en zelden iets van oorlogsvoering. Naar verluid willen sommige journalisten liever niet mee op gevaarlijke missies. Zo maken we het Defensie wel heel makkelijk. Oorlogsjournalistiek is een persoonlijke keuze. Als het goed is, brengt die de bereidheid met zich mee enig gevaar te trotseren als dat nodig is voor controlerende on the spot-berichtgeving.

Wij moeten de krijgsmacht scherp houden, juist daar waar gevochten wordt. Zoals een ex-woordvoerder operaties zei: “Wij zijn mannen met wapens, betaald door de Nederlandse samenleving. Wij behoeven controle. De media kunnen daarbij van dienst zijn.” Het officiële standpunt van Defensie is dat zij (zolang het geen special forces betreft) niets te verbergen heeft. Welnu, laat ons dan meekijken, en laten wij dan ook willen meekijken.

Gevaarlijke baan
Dat het persbeleid in Tarin Kowt rammelt wordt niet ontkend door Defensie in Den Haag. Robin Middel vertelt dat na elke rotatie van de staf, inclusief voorlichters, weer moet worden gezocht naar een nieuwe balans. “Er zit frustratie in het systeem. Dat is niet goed. We zijn ermee bezig.”

Ter illustratie van de frustratie: Uit een van mijn Groene-artikelen werden hele passages geschrapt. Achter elke doorgestreepte alinea stond “OPSEC”, de afkorting voor operational secret. Het merkwaardige was dat ik de doorgehaalde informatie enkele dagen eerder, mét Defensie-toestemming, had gepubliceerd op de voorpagina van het AD. Bovendien, en daar brak mijn klomp pas echt, was ook een opmerking uit de mond van een medewerker van de Afghaanse onafhankelijke mensenrechtencommissie AIHRC weggestreept. Hij meldde iets wat niet zo leuk is voor Nederland. Namelijk dat wij samenwerken met een commandant van de Highway Police die regelmatig ernstige mensenrechtenschendingen pleegt, waaronder het standrechteijk executeren van drie boertjes. Ik sprak de AIHRC-medewerker toen ik frank en vrij, zonder militair toezicht verbleef in Kandahar en later opnieuw, wederom zonder legergroen om mij heen, in Kaboel.

U heeft zijn opmerkingen gewoon kunnen lezen in De Groene Amsterdammer, aangezien ik geweigerd heb oom maar één van de schrappingen door te voeren. Ik wist namelijk zeker dat ze geen Nederlanders in gevaar brachten. De desbetreffende voorlichter was het daar achteraf mee eens en bood zijn excuses aan. Hij legde uit dat hij flink onder vuur lag: van Den Haag, van de inlichtingensectie (S2) in Tarin Kowt en van de Taskforce-staf. Daar komt dan nog het journalistieke geweld bij van de Opposing Media Forces. Geen ongevaarlijke baan, voorlichter zijn in Uruzgan.

De les voor Defensie moet zijn: zorg ervoor dat de voorlichters in Tarin Kowt één begrijpelijke lijn trekken in het censureren. En zorg ervoor dat hun gezag geaccepteerd wordt door de staf van de Taskforce, door de inlichtingendiensten en door de CDS en de minister in Den Haag. Het beperken van de bewegingsvrijheid van journalisten en het verplaatsen van hun werkruimte is symptoombestrijding. De maatregelen zullen leiden tot meer frustraties, en dus tot meer botsingen. Die leveren per saldo publiciteit op waarbij Defensie er slecht vanaf komt.

Embedded journalistiek: waarom en hoe?
Journalistiek begint bij vragen stellen. Ook aan onszelf. Waarom zou je primeurtjes willen behalen over operaties of de inzet van Gurka’s? Is het niet zinvoller je beperkte tijd en middelen te gebruiken om te onderzoeken of de krijgsmacht wel zo doordacht en terughoudend optreedt als ze zegt te doen? Doet Nederland er bijvoorbeeld echt alles aan om burgers te sparen? (Dat ging mis in Chora, waar waren de journalisten?) Is Defensie werkelijk zo open als ze zegt? (Zij verzweeg al eens een schietincident waarbij Nederlandse troepen vuurden op Afghaanse agenten.)

Ingebed bij eenheden of niet, de journalisten die Uruzgan bereizen, zitten allen in hetzelfde schuitje. Geen van ons kan vertellen hoe het ervoor staat met de bevolking in districten waar de taliban heersen. Geen van ons weet hoe het er ‘s nachts aantoegaat aan de randen van de zogenaamd veilige inktvlekken, als de taliban de dorpen aandoen. We kunnen daar niet bij zijn, omdat wij, westerse journalisten, allemaal, of we het willen of niet, door de taliban worden gezien als vijanden die ontvoerd of gedood dienen te worden. Wij zijn tot tegenpartij verklaard in hun strijd tegen de ongelovige indringers.

Reis je mee met de krijgsmacht, op voorwaarden van die krijgsmacht, dan heb je ook nog eens zélf partij gekozen. Om die reden doen sommige media, waaronder Nova, niet mee aan het embedded beleid. Zij hebben principieel gelijk: een onafhankelijk journalist kan zich niet de handen laten binden. Dat toch doen is een breuk met de journalistieke erecode van zo groot mogelijke objectiviteit, hoor en wederhoor. Embedded journalisten geven het niet graag toe, maar het ter goedkeuring voorleggen van je materiaal, met de mogelijkheid dat daarin geschrapt wordt, heet gewoon: censuur. Als journalist moet je zwaarwegende redenen hebben om daarmee akkoord te gaan.

De Groene Amsterdammer heeft gekozen voor een pragmatische opstelling. Wij reizen embedded naar Uruzgan, omdat onafhankelijke berichtgeving vanuit het gebied wegens het gevaar een heikele zaak is. De journalisten die tot nog toe naar eigen zeggen zelfstandig naar de provincie reisden kwamen niet veel verder dan de relatief veilige districtscentra van Tarin Kowt of Deh Rawod. Dat geldt zelfs voor Nieuwe Revu-verslaggever Arnold Karskens, die toch werd beschermd door zo’n 200 gewapende strijders van een niet nader aangeduide krijgsheer. Hun bijdragen zijn zeer waardevol, maar al net zozeer gebonden aan grenzen als die van hun embedded collega’s.

Over de beperkingen van de niet-embedded journalisten (welke etniciteit heeft die krijgsheer eigenlijk? Intimideren zijn mannen de geïnterviewden?) komt de lezer, kijker of luisteraar weinig te weten. Dat de berichtgeving van De Groene Amsterdammer vanuit het operatiegebied niet vrij is, wordt kenbaar door onder de artikelen niet slechts te melden dat Defensie de tekst heeft doorgelezen op operationele informatie, maar tevens dat “de informatie niet kon worden gecontroleerd bij onafhankelijke Afghaanse bronnen”. Wij zijn opmerkelijk genoeg het enige gedrukte medium dat dit zinnetje gebruikt.

Een andere reden van De Groene Amsterdammer om embedded te reizen, is dat het wél de mogelijkheid biedt Nederlandse operaties van nabij mee te maken en de vinger aan de pols te houden. Ingebed bij eenheden is het goed mogelijk om het reilen en zeilen van de missie vanuit een Nederlands en militair perspectief vast te leggen. Maar om dat goed te doen, moeten journalisten de mogelijkheid hebben zelf te bepalen met welke (gevechts)patrouilles ze mee willen. We zijn er niet om PR-verhalen over de krijgsmacht te schrijven.

Laten we niet vergeten dat embedded-verslaggeving een noodgreep is. Met ultieme waarheidsvinding heeft het meereizen met de krijgsmacht op voorwaarden van de militairen niets te maken. De Nederlandse nieuwsmedia betalen hun medewerkers karig en zijn al evenmin bereid flink te investeren in oorlogsjournalistiek. Wie in Uruzgan los van de krijgsmacht wil reizen, zal bescherming elders moeten zoeken – en dat kost geld. Veel geld. Het lijkt erop dat mediabazen het wel een prettige, want goedkope oplossing vinden, het embedded-beleid. Maar het is halve journalistiek, en het mag nooit tot standaard worden verheven. Hooguit is het een manier om een deel van de werkelijkheid in beeld te brengen.

We moeten dan ook blijven duwen tegen de grenzen van het embedded-beleid. Zonder mensenlevens in gevaar te brengen is nog veel meer openheid te creeëren bij de krijgsmacht te velde en het ministerie in Den Haag. De Groene Amsterdammer duwt gelukkig niet alleen. Ook het NOS-Journaal, BNR Nieuwradio en NRC/Handelsblad zetten zich schrap. We hebben nu één slag gewonnen: er zijn beelden van gevechten uitgezonden met toestemming van Defensie. De Groene Amsterdammer gaf de voorzet, het NOS Journaal kopte in, zoals Peter ter Velde schrijft in zijn weblog. Maar we mogen niet akkoord gaan met de beperkingen die ons nu worden opgelegd op Kamp Holland. Hoe onschuldig zij ook lijken: ze tasten dat kleine beetje vrijheid aan dat we hebben. Als we dit over onze kant laten gaan, waarom zou Defensie de klem op onze berichtgeving dan niet nog strakker aandraaien?

De embedded-aanpak is nieuw in Nederland. Dat betekent vallen en opstaan voor zowel Defensie als de journalistiek. Dat Defensie bereid is om te leren, bewijst haar toestemming voor de vertoning van de gevechtsopnamen in het NOS Journaal. Maar dat Defensie reageert met vrijheidbeperkende maatregelen op een misser die zij zelf heeft veroorzaakt , toont dat zij een kwakkelende leerling is.

We hebben nog minstens een jaar te gaan in Uruzgan. Het curriculum is halverwege. Laten we de resterende lesuren benutten om samen te werken – journalisten met journalisten, en journalisten met Defensie – met maar één doel voor ogen: het weergeven van de werkelijkheid in Uruzgan.


2 reacties so far
Plaats een reactie

Joeri,

Je schrijft: ‘Binnenkort verschijnen filmbeelden van die ervaringen op de website van De Groene Amsterdammer.’

Een linkje misschien?

Reactie door SalonSocialist

Mooi en inzichtelijk artikel.

Waarom is het zo moeilijk, met ervaren Amerikaanse persofficieren e.d. ter plekke, om een fatsoenlijk Nederlands embedded-beleid op te zetten? Dat het nieuw is begrijp ik, maar we hoeven niet het wiel opnieuw uit te vinden?

Reactie door gvk




Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: