web[oor]log


“Mag ik u wat vragen?”
februari 13, 2007, 19:01
Filed under: Uruzgan februari 2007

Joeri aan het werk op kamp holland. Copyright foto: Hans Stakelbeek

“Het heilig vuur”, zegt de aalmoezenier plechtig als hij zijn aansteker tevoorschijn haalt. We wachten op het sein om aan boord te gaan van een KDC10 – een tankvliegtuig van de luchtmacht dat na enige ombouwen ook passagiers kan vervoeren.

 De aalmoezenier moet naar Kandahar, ik naar Uruzgan. Het is mijn tweede reis naar Tarin Kowt en Deh Rawod, de twee plekken waar Nederlandse Isaf-militairen bases hebben ingericht. En ik weet: het wordt weer wachten.  

Laatst, in december, zat ik dagen vast op KAIA, de basis van de multinationale brigade bij het vliegveld van Kaboel. “Uw wachten zal beloond worden”, zegt de aalmoezenier zalvend. Even denk ik dat hij me zal zegenen. Hij heeft een lange grijze baard en draagt een zilveren kruisje ingelegd met zwarte steen op zijn linker borstzak.  “Ik hoop maar dat ik op tijd in Kandahar ben voor mijn zaterdagse en zondagse kerkdienst”, zegt hij. 

Slechts twee uur te laat gaan we aan boord van de KDC-10. Het toestel zit maar voor de helft vol. De meeste passagiers zijn verlofgangers die terugkeren van een twaalfdaags verblijf in Nederland. De cabine crew bestaat uit stewardessen van MartinAir. Dezelfde als vorige keer. De dames vliegen één keer per week met de KDC-10. Ze stappen uit in Fujairah, in de Verenigde Arabische Emiraten. De tussenstop duurt drie uur.

Het vliegtuig wordt bijgetankt en krijgt een nieuwe bemanning, van de luchtmacht. Twee dames en een man in vliegersoveralls. Ik raak met een van de MartinAir-dames aan de praat. Dat het in Fuyairah goedkoop kerosine tanken is, snap ik. Het spul spuit er zo’n beetje puur uit de grond. Het raffinageproces heeft weinig om het lijf en vervoerskosten zijn er niet. Maar waarom wordt na vier uur vliegen steeds de hele bemanning gewisseld? Ze mogen niet landen in Kaboel, vertelt de stewardess. Het is er te gevaarlijk.

Ik ben verbaasd. Afghanistan heeft een eigen luchtvaartmaatschappij, Ariana. Er zijn binnenlandse en internationale burgervluchten in het land, en er zijn nooit beschietingen geweest van burgervluchten. Maar MartinAir neemt geen risico. In de transithal van Fujairah Airport komt luchtmachter Marco op me af. Als hij loopt wiegt zijn bovenlichaam heen en weer. Zijn woestijnkleurige kistjes lijken hem minstens twee maten te groot. Ook als hij niet lacht, lacht hij een beetje. Zijn haar heeft hij afgeschoren, de stoppels van een gezonde, dichtbegroeide haardos leggen een donkere glans over zijn glimmende schedel. Hij heeft zijn handen diep in zijn zakken.Marco gaat naar Kaboel om daar twee maanden lang de KDC-10 te laden en lossen. Relaxt baantje in een veilige omgeving. “Mag ik u iets vragen?” Hij heeft me herkend, zegt hij. Na enig heen-en-weer gepeins zijn we eruit. Ik was in 2004 in Pol-i Khomri, waar de Nederlandse luchtmacht bezig was eenkamp op te bouwen waarvandaan een Provinciaal Reconstructie Team zou worden gerund. Marco zette daar de tenten op. Hij heeft mijn gezicht onthouden. Thumbs up, goed geheugen. Ik was in 2004 met Jeroen Oerlemans, makker en fotograaf, in Afghanistan om de presidentsverkiezingen te verslaan. We waren er toch dus, gingen we even langs bij de Nederlanders.  De reis had iets meer om het lijf dan we dachten. Bij de Salang-tunnel, aangelegd door de Russen voor hun tanks, zodat ze de smalle Salang Pas konden vermijden, werden we overvallen door een sneeuwstorm. Onze chauffeur en tolk duwden in hun zomerse shalwar kameezes en met blote voeten in afgetrapte sandalen samen met ons de auto langs de glibberige weg omhoog. Wij klappertandden van de kou in onze warme kleding, zij gaven geen kik.

Toen we de tunnel door waren en onderaan de berg kwamen, werden we tegengehouden door de militie van een krijgsheer. Na een half uur onderhandelen was onze prijs bepaald. Veertig dollar, een tientje de man, en we konden weer verder. Het bleek het begin van onze Afghanistan-fascinatie.  We moeten lachen als Marco ook meent het gezicht van Hans te herkennen, die ik ontmoette tijdens de vlucht. We zaten naast elkaar. Hans is freelance-fotograaf en gaat in Uruzgan voor Buitenlandse Zaken de opbouwprojecten fotograferen. Ik wens hem veel succes: het is lastig om van de basis af te komen. Zeker nu het erg onrustig is in de provincie.  Marco kán Hans niet kennen, maar hij is bloedserieus. Het idee wil niet uit zijn hoofd. Bekende kop, dus er moet een connectie zijn. Hilariteit als Marco, die ondanks zijn vasthoudendheid verlegen overkomt, hakkelend vraagt of ik inderdaad het neefje ben van Beatrix  – “pardon, ik bedoel: de koningin.” Een gedaanteverwisseling. In Pol-i Khomri trok ik op met Jaime Bourbon de Parme. Hij was er POLAD, politiek adviseur. Een goeie baan. Bijna dagelijks op stap onder bescherming van commando’s om de plaatselijke krijgsheren te bezoeken en in kaart te brengen wie de power brokers in de regio waren, zodat BZ wist met wie ze te schaften had. Jaime is een van de zoons van Irene, zus van Beatrix. We zijn allebei blond, maar daar stopt de gelijkenis.    Als het toestel op het punt staat te vertrekken duik ik snel nog een toilet in. Twee van de pisbakken worden bewaterd door Marco en een grote vent in camouflagetenue, type ‘desert’. “Mag ik u wat vragen”, hoor ik Marco zeggen, terwijl de grote man afslingert. “Het klinkt misschien wat raar, maar ik ken u volgens mij ergens van. U heeft zo’n bekend gezicht.” Ik moet moeite doen om niet de tegelvloer te bespetteren. “Hmm”, bromt de grote man. “Eindhoven misschien? Ik werk op de luchtmachtbasis”, zegt Marco, die nu over zijn verlegenheid heen is en welgemoed de een na de andere volzin eruit gooit. De grote man wast zijn handen en zwijgt. Marco vraagt door. De grote man droogt zijn handen af en zegt dan, dwars door Marco’s spervuur heen: “Eindhoven, ja, kan wel. Ik ben daar een tijdje gestationeerd geweest. Maar de meeste mensen die ik er zag waren gewond of dood.” Mario kijkt me met grote ogen aan en zwijgt. Zelden een gesprek zo letterlijk dood zien slaan.  Tijdens het opstijgen zien we tientallen lichtvlekjes onder ons, op zee. Het zijn olietankers. Ik tel er minstens veertig. Ze liggen te wachten totdat ze olie kunnen inslaan. Een bizar gezicht. De levenslijn van het Westen is een verzameling lichtjes in de Perzische Golf. De grote man blijkt te werken voor Bureau Personeelszorg van Defensie. Hij is majoor en houdt zich bezig met de nazorg. Daarbij hoort ook het opvangen van gewonden, familieleden van gesneuvelden en het repatriëren van stoffelijk overschotten naar vliegbasis Eindhoven. Noodzakelijk werk. Zwaar werk ook, vertelt hij. Hij was geestelijk verzorger in Tarin Kowt tijdens de eerste maanden van de Uruzgan-missie. “Nooit een moment rust. Wij zijn er altijd om de mannen op te vangen, maar ze komen op de gekste momenten naar je toe. Het liefst als je even een kop thee drinkt aan de bar van de recreatieruimte. Dan gaan ze naast je zitten en knopen een gesprek aan. Net als je denkt: nu is het echt tijd om te gaan slapen, beginnen ze te vertellen wat hen dwars zit. Uiteindelijk heb ik besloten dat ik óók recht had op rust. Er is veel burn out onder geestelijk verzorgers moet je weten. Als ik mijn sporttenue aan had, wist iedereen: nu neemt hij even tijd voor zichzelf.”  Nederland verloor tot nog toe vier man door ongelukken. Ook het aantal gerepatrieerde gewonden valt mee. In de zomer verloor een YPR-bestuurder een deel van zijn been. Onlangs werden vijf militairen gewond afgevoerd na een zelfmoordaanslag bij Poentjak.

Deze kleine patrouillebasis ligt nu bijna dagelijks onder vuur. Ik ben vastbesloten er enige tijd door te brengen. Ik wil weten hoe Nederlandse militairen reageren op de aanvallen met raketten, mortieren en kalasjnikovs. Daarover lezen we niks in Nederland. 

Tijdens de eerste aanval op de basis, begin december, beschoten ISAF-militairen per ongeluk een van de zes politieposten onderaan de heuvel waarop de post staat. Met een 25cm Oerlikon-kanon van een YPR. Als zo’n kogel je raakt spat je uiteen, vertelde een boordschutter me enthousiast. Defensie had het stil gehouden”, maar ik kwam erachter. Gewoon, omdat de kapitein van die de eenheid leidde, het me vertelde. (zie: de kapitein van Poentjak).

Volgens Defensie raakten bij de aanval van de Taliban-strijders, die het ook op de politieposten hadden voorzien, twee agenten lichtgewond, maar niet door toedoen van de Nederlanders. Drie weken na het incident kon ik dat echter niet meer controleren. 

Om zeven uur ’s ochtend plaatselijke tijd landen we in Kaboel. Het vriest stevig. Ik vraag me af hoe het dezer dagen met de logistiek staat. In december was het een ramp – toen moesten honderden militairen naar Uruzgan. Nu is het rustiger.

Maar ik ben er nog niet. Ettelijke honderden kilometers en een gebrek aan troepentransportvliegtuigen scheiden mij van de ‘Nederlandse’ provincie.

 

Advertenties

Geef een reactie so far
Plaats een reactie



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers liken dit: