web[oor]log


Op het randje
december 21, 2006, 19:21
Filed under: Uruzgan december 2006

KAIA (Kaboel): Inleveren scherpe munitie voor terugkeer naar Nederland

Ik ben weer in Nederland. Het wonder is geschied, we konden mee met de woensdagvlucht.

Het was me het tochtje wel. In de KDC10 ontstond commotie toen de gezagvoerder, een majoor van de luchtmacht, aankondigde dat de vlucht ons naar Amsterdam zou brengen en dat de manschappen daarvandaan met bussen naar Eindhoven zouden worden vervoerd.

Het zou betekenen dat zij rond vijf uur ’s ochtends zouden aankomen, en dat hun familie en geliefden tot die tijd moesten wachten. Geen sinecure als je al dagen geduld oefent.

De oproerige stemming werd de kop ingedrukt door een overste die duidelijk maakte dat mokken geen zin had, aangezien het hier een ‘militair besluit’ (lees: een bevel) betrof. Ik heb me daaraan onttrokken. Bij embeds in het Amerikaanse leger krijg je tijdelijk een rang. In Nederland niet. Dus zijn Harm Ede Botje van Vrij Nederland en Kolijn en Remco van de KRO net als ik vanaf Schiphol huiswaarts gekeerd. We hebben nog geen oproep van de krijgsraad ontvangen.

Eenmaal thuis bleek maar weer hoeveel discussie er is onder journalisten over de voors en tegens van ingebed zijn bij Nederlandse troepen. Een journalist-met-recht-van-spreken reageerde teleurgesteld op mijn weblog omdat hij de kritiek miste. Ik zou zelfs een knieval hebben gemaakt voor Defensie-minister Henk Kamp. Lees hier en beslis zelf.

Ik rapporteer wat ik hoor en zie. En waar ik het nodig acht, begin ik te spitten. Voor simpele feel good-stukjes ben ik niet in de wieg gelegd. Maar ik geef toe: ik heb een zwak voor de mannen en vrouwen die ik tijdens missies als deze ontmoet. Ik waardeer het dat ze zonder al teveel te morren naar een barre uithoek als Uruzgan vertrekken, in plaats van hun wapens te poetsen op de kazerne. Ik vind dat de steeds meer in zichzelf gekeerde Nederlandse samenleving hen te weinig waardering schenkt.

Dat betekent natuurlijk niet dat ik mijn taak als journalist vergeet. Ik ben geen militair, en ik wil er ook geen zijn. Ik ben een rapporteur. Ik ben er niet om wie dan ook gerust te stellen. En ik ben er evenmin om slechts te berichten over wat mis gaat. Kritiek om de kritiek hoeft niemand van mij te verwachten. Ik ben er simpelweg om te bezien hoe het ervoor staat met de missie.

En daar zit hem de kneep. Ik kan geen volledig beeld geven van die missie als ik ingebed ben bij Nederlandse eenheden.

Alles wat ik zie en hoor, gaat via de kanalen van de Defensie. Dat is bij voorbaat duidelijk als je aan een embed begint. Het tv-programma Nova heeft om die reden besloten niet mee te werken aan het nieuwe Defensie-beleid.

Ikzelf heb besloten dat het wél waardevol is om mee te reizen met de troepen. Ik kan de stemming van de eenheden peilen en ik kan zo goed mogelijk meekijken bij hun werkzaamheden. Dat heeft zin, vind ik. Ik ben vaker meegeweest met Nederlandse eenheden, en ik ken Afghanistan vrij goed van eerdere, onafhankelijke reizen. Ik heb dus vergelijkingsmateriaal.

Ik kan in Uruzgan echter niet zomaar de poort uitlopen, ergens een tolk opscharrelen en controleren of de missie werkelijk zo goed verloopt als Defensie me vertelt. Daarvoor acht ik het risico te groot. Op Kamp Holland werd me duidelijk gemaakt dat niemand me zou tegenhouden als ik dat wél deed, al werd het niet gewaardeerd wegens de belofte dat de krijgsmacht over mijn veiligheid zou waken.

Geen verbod. Dat lijkt me een goed teken. Ik werk er dan ook aan om in de toekomst wel degelijk zonder militaire begeleiding de poort uit te kunnen.

Een probleem is dat de eenheden in Uruzgan journalisten niet mee kunnen nemen op patrouilles van hun keuze. Het is dan ook een raadsel waarom er vaak vier journalisten tegelijk op Kamp Holland zijn. Dat vráágt om frustraties. Iedereen wil het kamp af om te zien wat het Nederlandse reconstructieteam buiten de poorten verricht. Maar niemand kan op zijn wenken worden bediend.

Mijn achting voor collega Arnold Karskens (Nieuwe Revu) is groot. Hij ging zonder militairen naar Uruzgan. Goed werk. Maar hij had wél bescherming buiten de poort. Ik niet, helaas.

Tijdens zijn beide trips reisde Arnold met tientallen strijders waarvan hij niet vertelde van welke militie of krijgsheer ze kwamen. Toch deed hij waardevolle inzichten op. Bijvoorbeeld over burgerslachtoffers die wel degelijk worden gemaakt door militair optreden in Uruzgan. Het is belangrijk om te weten of zij vielen door Nederlands vuur. Ik ben er niet achter gekomen in deze twee weken.

Wat ik op een reis als deze niet kan, is een zo objectief mogelijk verslag geven van wat er gaande is in Uruzgan.

Een voorbeeld: als mij wordt verteld dat Nederland terughoudend is met luchtsteun, maar wel Apaches heeft ingezet tijdens het eerste gevecht om patrouillepost Poentjak, kan ik niet zelfstandig naar die post reizen om daar te spreken met omwonenden. Als ik zonder omhaal zou willen schrijven dat Nederlandse Apaches alleen hun camera’s hebben gebruikt, zoals Defensie beweert, zou ik de woordvoerders moeten geloven op hun blauwe ogen.

En dat doe ik niet.

Minstens één majoor en één kapitein in Tarin Kowt vinden het heel vervelend dat ik dit nu wéér opschrijf, maar  toch: Er is reden aan te nemen dat Defensie achterhoudt wat voor haar negatief uitpakt. Daarmee verschilt de krijgsmacht overigens niet van andere organisaties en bedrijven. 

Het gaat hier echter niet om het suikergehalte in roomboterkoekjes, maar om het in levensgevaar brengen van bondgenoten. Het verzwijgen van het beschieten van Afghaanse agenten door Nederlandse eenheden op 1 december (zie: de kapitein van Poentjak) is verontrustend. Het toont dat openheid bij de krijgsmacht grenzen kent, die door de journalistiek geslecht dienen te worden.

Ik heb een e-mail gekregen waarin de voorlichting op Kamp Holland nogal verstoord reageerde toen ik het hier wederom over had. Mijn berichtgeving werd gedegradeerd. En er werden mijns inziens oneigenlijke reden voor het Defensie-zwijgen in aangevoerd.

Een daarvan was deze: er vielen waarschijnlijk geen gewonden bij het incident (hoewel: van één agent is niet meer vast te stellen door wiens vuur hij werd geraakt – hij is weer op zijn post, aldus Defensie – ik kan het niet controleren, want ik kon niet naar Poentjak). Bovendien werd gesuggereerd dat deze zaak te klein was om een persbericht over uit te geven.

Er werd zelfs geprobeerd de kwestie een positieve wending te geven. Het zou een stap voorwaarts zijn dat agenten er tijdens de aanval op uit trokken om elkaar en de Nederlanders hulp te verschaffen. Dat deden ze te voet (in het pikkedonker) en in voertuigen met gedoofde lichten – dat is de reden dat ze per ongeluk elkaar beschoten en ook in de vuurlinie van de Nederlanders terecht kwamen.

De vooruitgang school hem er volgens Defensie in dat ze bij eerdere gelegenheden tijdens aanvallen op de vlucht sloegen in plaats van terug te vechten en hulp te bieden.

Het spijt me wel, maar dit is voorlichting van lik mijn vestje. Het toont maar weer waarom journalisten constant op hun hoede moeten zijn niet geringeloord te worden door de krijgsmacht. Niet omdat Defensie per definitie niet te vertrouwen zou zijn, maar omdat ‘vooruitgang’ en ‘algemeen belang’ door een journalist anders worden gedefinieerd dan door een militair.

Maar deze zaak toont ook iets goeds: er werd niet krampachtig gedaan toen eenmaal bekend werd dat het een en ander was misgelopen tijdens de eerste aanval op Poentjak. Niemand werd in mijn bijzijn het spreken belet. Niets werd aanvankelijk rechtgepraat. En dat is een grote vooruitgang vergeleken met eerdere missies.

Ik heb meegemaakt bij mariniers in Zuid-Irak dat glashard werd beweerd dat er nauwelijks gevaar dreigde terwijl ik er achter kwam dat de troepen op jacht waren naar terroristen in auto’s vol explosieven. Dat is het soort zwijgzaamheid dat leidt tot ontslagen achteraf als een patrouille wordt opgeblazen. Het is het bedonderen van het bezorgde thuisfront. Niets meer, niets minder. Hopelijk zijn die tijden voorbij.

Defensie hoort niets te verbergen te hebben. Zo luidt ook het devies van het hoofd landmachtvoorlichting Nico van der Zee, die een groot voorvechter is van ingebedde journalistiek en openheid in voorlichting. De troepen worden ingezet voor een publieke zaak. Ze worden betaald door de gemeenschap. Niet voor niets heeft de politiek het laatste woord over hun uitzending en over de omstandigheden waaronder ze opereren.

Hoe groot ook mijn waardering voor de mannen en vrouwen in Nederlands uniform: ik doe gewoon mijn werk. Ik rapporteer en ik onderzoek. Maar ik doe dat eerlijk. Ik ga dus niet, zoals sommige collega’s, uit van het slechte. Ik zie de krijgsmacht nu eenmaal niet als een verderfelijke organisatie die het vuur na aan de schenen gelegd moet worden.

Voor alle duidelijkheid: waardering voor Nederlandse militairen betekent nog geen identificatie. Laat staan zelfcensuur waar het gaat om zaken die niet door de beugel kunnen. Wie een wapen draagt, kan onvergeeflijke fouten maken. Waar die plaats vinden, rapporteren wij, journalisten. In die zin hebben wij geen vrienden.

Daarom dus ook mijn herháálde rapportage over het eigen vuur. Mét daarbij de opmerking dat het hier een incident betrof en dat Defensie stelt dat maatregelen zijn genomen om dit te voorkomen. Dat laatste behoeft weer gegraaf door collega’s die binnenkort in Uruzgan zullen zijn.

Zo werkt ons vak: niets kan voor waar aangenomen worden als je het niet onderzoekt.

Met name SP-kamerlid Harry van Bommel klaagt over de censuur die Defensie pleegt. Dat onze artikelen worden doorgelezen voor publicatie, om te controleren of er geen informatie in staat die militairen in gevaar brengt, is echter minder ernstig dan hij doet voorkomen. Wij zijn vóóraf daarmee akkoord gegaan. En we zijn er zelf bij. Nooit werd er bij mij of Harm zodanig ingegrepen dat toon, inhoud of strekking van onze schrijfsels veranderden.

Als ik journalisten die binnenkort naar Uruzgan afreizen een tip mag geven: neem geen genoegen met het standaardzinnetje onder je stukken dat ze zijn gecontroleerd door Defensie op operationele informatie, maar maak je lezers duidelijk dat je slechts één kant van de zaak belicht, hoe je je ook in bochten wurmt.

Dát is de werkelijke beperking van het ingebed zijn bij Nederlandse eenheden. Maar met die beperking, die écht duidelijk gemaakt behoort te worden aan de lezer, kun je nog steeds journalistiek waardevol werk doen.

Zolang geen van de ingebedde journalisten beweert een volledig beeld van de missie te kunnen geven, met daarin een ‘objectieve’ Afghaanse invalshoek, is een embed volgens mij zinvol. De aanwezigheid van priemende ogen houdt de krijgsmacht scherp.

Maar let wel: wij journalisten balanceren op het randje door ons te verbinden met Nederlandse troepen. Daarvan moeten we ons steeds bewust blijven.

Dat zijn we ons vak, ons publiek én de moderne krijgsmacht verplicht.

(Met deze stichtelijke woorden sluit Joeri dit web[oor]log Uruzgan. Het is de bedoeling dat hij in februari weer bericht vanuit de voorste linies)


Geef een reactie so far
Plaats een reactie



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: