web[oor]log


De vijands vijand is onze hulpagent
december 16, 2006, 11:25
Filed under: Uruzgan december 2006

Abdul Hakim krijgt een tikje op zijn schouder. Hij laat zich vallen, zijn kalasjnikov klemt hij vast. Hij is getroffen door vijandelijk vuur en wordt door twee collega’s van de Afghaanse hulppolitie naar achteren gedragen. Vóór in de formatie laten de hulpagenten, gehuld in grijze trainingspakken, zich niet afleiden. Zij blijven de strijders die hen bestoken beschieten, zodat niet nog méér van hun maten geraakt worden en hun eenheid in de pan wordt gehakt.

De hulppolitie (ANAP) traint op Kamp Holland, Tarin Kowt

Dat zou de ideale situatie geweest zijn. Bij deze training loopt het nog niet helemaal lekker. Abdul Hakim is een grote, zware vent. Twee collega’s krijgen hem niet naar achteren. Een derde draait zich om. Prompt krijgt ook hij een klopje op zijn schouder. Niks meer aan te doen. Hij is dood. De formatie valt uiteen. “Dit gevecht hebben jullie verloren”, zegt de instructeur van Dyncorps, een Amerikaanse private military firm die wereldwijd instructeurs levert voor het oorlogsvak. “Een gevecht verlies je één keer in je leven”, laat hij vertalen door zijn tolk. “We oefenen het nóg een keer.”

De training vindt plaats op Kamp Holland in Tarin Kowt, onder leiding van kapitein Henk van de koninklijke marechaussee, en wordt uitgevoerd door vijf ex-agenten die nu werken voor Dyncorps en vier marechaussees. Een typisch staaltje van Dutch Approach, zegt kapitein Henk. Samenwerking is de sleutel. Met Dyncorps, met de politiecommandant van Uruzgan en met de overheid in Kaboel. Nederland heeft de hulpagenten nodig. Ze staan bekend als ANAP – Afghan National Auxiliary Police. Als ze slagen voor deze cursus, kunnen de besten van hen na een aantal jaren doorstromen naar de ANP, de ‘normale’ Afghaanse politie, die net als militieleden en de ANAP veelvuldig wordt ingezet in de strijd tegen de taliban. De mannen worden geregistreerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken in Kaboel en ontvangen 70 dollar per maand. De Amerikanen zorgen voor vuurwapens, Nederland levert de gummi-knuppels.

“Als hulpagent krijgen ze een contract voor een jaar dat uitgebreid kan worden naar drie. Een normale agent krijgt een contract voor zijn leven”, zegt kapitein Henk. “Een vaste baan met een vast salaris is een droom voor de mannen hier.” Twee weken duurt de ANAP-cursus, drie maal komen de mannen één week op herhaling. De vervolgopleiding tot volwaardig agent duurt gemiddeld vijf weken. Geletterden krijgen negen weken les. Analfabeten korter, want het heeft geen zin hen te leren hoe je rapportages maakt. “Negentig procent van deze mannen kan niet lezen of schrijven. Dat is vooral lastig bij de onderdelen over ethiek en mensenrechten, die van beide opleidingen deel uitmaken” vertelt kapitein Henk.

In Afghanistan is altijd gestreden volgens één recht, het recht van de sterkste. De verliezer wordt vernederd, gemarteld en uiteindelijk, als hij geluk heeft, gedood. De verhalen over de wreedheden die de milities aanrichtten die in de jaren negentig vochten om de controle over Kaboel, zijn moeilijk te bevatten. In oktober 2004 sprak ik iemand die in tijd der gruwelen in Kaboel woonde. Ik reisde toen naar Afghanistan met een schijnbaar lege dvd op zak. Daarop stond een kopie van Submission, de korte film van Theo van Gogh en Ayaan Hirshi Ali, waarmee zij de onderdrukking van de vrouw in de islam aan de kaak wilden stellen. Ik liet op verzoek van Amnesty International de film zien aan een aantal Afghaanse intellectuelen, mensen die mij niet meteen zouden willen stenigen als ze de beelden van Koranteksten geschreven op een naakt vrouwenlichaam zagen, en moslima-borsten achter een weinig verhullende sluier. Ik liet Submission onder meer zien aan Salimi, een Afghaanse regisseur die naar Pakistan vluchtte toen de taliban Aghanistan onder de voet liepen en er opnieuw een wrede strijd om Kaboel dreigde los te barsten. Hij vertelde over raketbeschietingen die hele families doodden en over moeders die renden voor hun leven en hun gewonde kinderen moesten achterlaten in een regen van kogels.

Overal in Kaboel hadden milities controleposten opgericht. “Het was heel gevaarlijk je op straat te begeven, want de strijders pakten willekeurig mensen op”, zei Salimi. “Mannen werden gemarteld totdat ze toegaven spion te zijn van een concurrerende krijgsheer, waarna ze werden opgehangen. Vrouwen, of ze nu een boerka droegen of niet, werden vaak verkracht. Als hun mannen protesteerden, gingen ze eraan.” Salimi vertelde dat het vooral de Hazara-krijgers waren die onnoemelijke gruwelen verrichten. Hazara leven in Midden-Afghanistan en laten zich erop voorstaan af te stammen van de Mongoolse veroveraar Djengis Khan. Salimi’s zus werd eens tegengehouden op een Hazara-post. Ze was doodsbenauwd, maar de krijgers waren vriendelijk voor haar. Ze gaven haar zelfs een zak voedsel mee voor haar kinderen. “Ze zeiden dat er vlees in zat en dat ze hem pas thuis mocht openen”, vertelde Salimi. De zak bleek gevuld met afgesneden vrouwenborsten.

Een groot deel van de mannen die de ANAP-opleiding op Kamp Holland volgen, zijn Hazara. Ze behoren tot een militie in de streek Khas Uruzgan, in het oosten van de provincie, waar de Nederlanders niet komen. In de omgeving zit een Amerikaanse special forces-basis. De Amerikanen hebben 26 militieleden uit het dorp Chiabakhal met helikopters naar Tarin Kowt gevlogen voor de opleiding. Een deel van de militie is achtergebleven om de Hazara-dorpen te verdedigen tegen de taliban, die voortkomen uit een ander Afghaans volk, de Pashtun. “De taliban heeft ons volk afgeslacht. Nu zijn ze bang voor onze wraak”, vertelt Musa Jar. Hij is 33, maar ziet er zeker twintig jaar ouder uit. “Er wordt elke nacht gevochten. In ons dorp staan tenten waarin onze kinderen les krijgen. De taliban hebben die laatst beschoten.”

Abdul Hakim, die tijdens de ANAP-oefening ‘gewond’ raakte, vocht mee met Amerikaanse commando’s die op taliban jagen. Hij raakte écht gewond toen hij met hen in een hinderlaag liep. Het vlees van zijn rug vertoont diepe groeven van granaatscherven. Het lijkt wel aangeharkt. “De taliban noemen ons de zonen van de Amerikanen. We hebben geen keus, we moeten ze bevechten.”

Het is maar de vraag hoe serieus deze hulpagenten-in-opleiding straks hun politietaak zullen nemen, erkent kapitein Henk. “Het risico bestaat dat ze mensen blijven afpersen aan hun check points. Maar in Nederlandse kranten lees je ook van alles over fraude. We zijn hebben een systeem opgezet waarbij we alle ANAP-posten kunnen langs gaan om te controleren hoe ze hun werk uitvoeren. Hun salaris is meer dan ze als boer bij elkaar kunnen sprokkelen. Maar daarvoor moeten ze wél hun werk naar behoren doen.”

Ik besluit hem niet te vertellen over de cyclus van wreedheden waarin Pashtun en Hazara verzeild raakten nadat ze de Russen uit Afghanistan hadden verdreven. De kapitein is vast niet op zijn achterhoofd gevallen. Het is nu eenmaal een bitter gegeven van oorlogsvoering en counter insurgency: je vijands vijand is je bondgenoot. Maar je moet er niet aan denken dat door Nederlanders opgeleide en door Kaboel betaalde hulpagenten in uniform hun woede koelen op een Pashtun-dorp.


Geef een reactie so far
Plaats een reactie



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: