web[oor]log


Zondag 23 april
april 23, 2006, 10:21
Filed under: Uruzgan april 2006

De dag begint vroeg vandaag. Als ik de ontbijtzaal binnen kom, zitten Jeroen en ‘Marty’ al aan de koffie. Abdul ‘Marty’ Matin, onze jonge tolk, is in het weblog van vrijdag 21 april door Jeroen gefotografeerd, biddend op een heuvel met uitzicht op Herat. Ze zijn zwijgzaam, het is nog vroeg. Eindelijk kan ik Marty in vertrouwen nemen. Op eerdere reizen in Afghanistan hebben we geleerd dat je nooit te vroeg moet zijn met het vertellen van je plannen, als die zich gaan afspelen in lastig gebied, waar de regering weinig controle heeft. Het gebied waar we vandaag naar toe gaan, het district Ghoryan, veertig kilometer van de Iraanse grens, kent weinig rebellie, maar wel veel activiteit van opiumcriminelen. We horen tegenstrijdige berichten over de betrokkenheid van de politiecommandant en de districtsbestuurder bij de papaverteelt. In elk geval staan ze niet bekend om hun doortastende en onafhankelijke optreden.

Ik moet hier overigens iets corrigeren. Gisteren schreef ik dat de Canadezen sinds 2002 elf man verloren in Afghanistan. Later die dag werd bekend dat een bom langs de kant van de weg, bij Shah Wali Kot, boven de stad Kandahar, zo’n vijfenzeventig kilometer van de grens met Uruzgan, het leven kostte aan nog eens vier Canadezen. Hun krijgsmacht is klein, net als de Nederlandse, en de provincie Kandahar wordt beschouwd als minder gevaarlijk dan Uruzgan. Hoe gaat Canada hiermee om? Aan de artikelen op internet te zien, twijfelt Canada niet aan de inzet van haar troepen. Er wordt steeds weer benadrukt dat de militairen er zijn om de Afghanen de kans te geven hun land op te bouwen in vrede en vrijheid. Rick, de Canadese chefkok van het Mustafa Hotel, vertelde voordat we naar Herat vertrokken, dat hij niet mee mocht met de eenheid waarvoor hij zo lang had gekookt. “Ze vonden het risico te groot. Zij hebben voor gevaar getekend, ik niet. Ik mocht niet mee. Het voelde gek om ze te zien vertrekken, alsof ik ze een beetje in de steek liet.” Volgens Rick neemt het verzet tegen de Canadese betrokkenheid in zijn land toe – er vecht ook een geheime commando eenheid, JTF2, die er behoorlijk hard tegenaan gaat en zware gevechten heeft gevoerd waarbij doden vielen. “Maar we weten dat dit land ons nodig heeft, en uiteindelijk zijn wij in de ogen van Taliban en al-Qaeda hoe dan ook doelwitten, of we nu hier zijn of thuis. Ik ben van de school die zegt: zoek de vijand op en doodt hem voordat hij jou te grazen kan nemen.” Jeroen vroeg Marty gisteren wat Afghanistan volgens hem het meest nodig had. Marty dacht even na, met roerloze ogen en gelaat, en zei: “Veiligheid, dat hebben we veel harder nodig dan technologie of geld. Hoe kun je werken aan een toekomst als je niet weet of wat je hebt opgebouwd er morgen nog staat? Hoe kun je een gezin stichten als je moet vrezen dat jijzelf of je kinderen gedood zullen worden?”

Terug naar het ontbijt, waar Marty geboeid luistert naar wat ik hem vertel. Ik heb besloten hem exact uit te leggen wat voor artikel ik wil schrijven. Als mijn intuïtie juist is, zal dat Marty (en dus mijzelf) helpen bij zijn werk. Het ziet er naar dat ik het bij het rechte eind had, wat zijn capaciteiten betreft. Uit zichzelf zegt Marty: “Opium is haram dus je kunt sommige vragen niet al te direct stellen, want dan zul je nooit een echt antwoord krijgen.” Precies! Marty en ik spreken een half uur lang over de strategie die we kunnen volgen en de verschillende soorten ontwijkingen waar we mee te maken zullen krijgen. Ik druk hem op het hart om zo precies mogelijk te vertalen waar dat kan, maar vrijheid te nemen waar dat moet. Alleen wil ik dan wel weten hoe het antwoord dat hij voor me vertaalt tot stand is gekomen. Marty vindt het fantastisch: als het lukt, zegt hij, voelt het alsof hij zelf ook een beetje heeft meegeschreven aan het artikel. Hij is zelf ook heel benieuwd naar wat de opiumboeren ons te melden hebben. Dit voelt goed, ik heb hier zin in. Let’s go!

Saïd staat voor met de terreinwagen, een Toyota Surf, the poor man’s Landcruiser, zegt Jeroen, en die weet van auto’s, maar sterk genoeg om ons het platteland over te crossen. Saïd, die goed bekend is met de regio en er veel connecties heeft, begroet ons met een lach en een handdruk. We gaan op pad.

Aanvankelijk is de trip een fluitje van een cent. We nemen de snelweg richting Iran, aangelegd met Iraans geld. Het is de beste weg die we in Afghanistan ooit bereden. Langs de kant staan paaltjes met een rood dakje. Saïd vertelt dat die de plaats markeren waar de beruchte pijpleiding moet komen voor Turkmeens gas. Het Amerikaanse oliebedrijf UNOCAL ging daartoe in zee met de Talban, vóór de aanslagen van elf september 2002. Er is veel over de pijpleiding geschreven. Ik schreef er zelf over in De Groene Amsterdammer, vlak nadat de Amerikanen hun militaire campagne tegen de Taliban waren begonnen. Condoleeza Rice en Dick Cheney waren allebei, in hun hoedanigheid als oliebaronnen, bij het project betrokken. Door zaken te doen (we spreken over vele miljoenen dollars) met de Taliban, werden die niet alleen gelegitimeerd, maar konden zij ook hun kas spekken, terwijl officieel óók de Amerikanse regering geen betrekkingen wilde onderhouden met het regime dat mensenrechten aan de laars lapte. Het was het zoveelste voorbeeld van hypocisie in de kringen rond de huidige Amerikaanse president. Inmiddels heeft UNOCAL zich uit het project teruggetrokken (daarover hoor je niemand). De pijpleiding zou niet lukratief meer zijn. Het lijkt hoe dan ook een heikele zaak, zo’n gevoelig object laten lopen door zo’n instabiel land. De Iraakse oliepijpleidingen worden regelmatig opgeblazen. Op gezette tijden is er in Bagdad gebrek aan bezine, terwijl het land gigantische oliereserves herbergt. Hoe het spul veilig naar de rafinaderijen te krijgen, en hoe het eindproduct bij de gebruikers, zonder dat rebellen zich op de kwetsbare pijpleidingen en transporten storten? Het is een vraag waarop de Amerikanen nu al meer dan drie jaar zoeken naar een antwoord. Het zou wel héél stupide zijn als ze zich in Afghanistan dezelfde explosieve problemen op de hals haalden. Maar met Bush als president, weet je het nooit.

We gaan van de weg af, in de richting van dorpen die we zien in de verte. Goed dat we een four wheel drive hebben. Dit is geen weg, dit is een verzameling gaten. We steken een drooggevallen rivierbedding over. Said vertelt dat de rivier ooit dertig meter breed was, nu staat hij bijna helemaal droog. Het is moeilijk nog gewassen te verbouwen die veel water nodig hebben. Papaver is een sterke plant, die houdt zich goed, ook bij watergebrek. Na de droge rivier begint het eerste dorp, een smalle stoffige weg voert langs huizen en ommuurde akkers. Het is heet, de temperatuur loopt op tot voorbij de dertig graden. Een muur is deels afgebroken. Door het gat zien we open en bloot een papaverveld liggen. De mensen zijn hier blijkbaar nergens bang voor, ook de politie moet deze route regelmatig nemen: het is de doorgaande weg naar de overige dorpen.

We worden opgewacht door Abdurrahman, een grote, dikke vent met handen als kolenschoppen en gele tanden. Hij is de arbap van dit dorp. De arbap is de ‘sociale leider’ van ee gemeenschap, legt Marty uit. Het is een feodale positie, die slechts is weggelegd voor wie veel land heeft en stamt uit een machtige familie. Sommige arbaps hebben een grote invloed op ‘hun’ bevolking. Ze helpen de armen, lossen geschillen op en vertegenwoordigen de bevolking als dat nodig is, zoals op de bijeennkomst van Senlis Council, vrijdag, in Herat. Arbaps zijn natuurlijk niet van gisteren. Ze gebruiken hun sociale positie om hun rijkdom te vergroten, net als in de aloude tijden van hertog, graaf en horige.

Abdurrahman nodigt ons uit in zijn huis. Zoals alle huizen in de dorpen hier, wordt het omgeven door een muur gemaakt uit modder die door de zon hard als steen is geworden. Op het ommuurde terrein staan verschillende gebouwen. We gaan zitten op kussens tegen de muur in het gastenvertrek. Abdurrahman houdt een lang verhaal over de regering die niet over de brug komt met de steun die ze de papaverboeren heeft beloofd. “Ze vernietigen onze velden, en we krijgen er niets voor terug.” Hij maakt er geen geheim van dat hij ook zelf flink wat opium verbouwt. Hij rekent voor hoe onmogelijk het is voor iemand met weinig land om genoeg te verdienen voor zijn gezin met andere gewassen. Water is duur door de droogte, kunstmest is broodnodig en eveneens duur. “Jaren gelden dachten we dat het zou lukken met knoflook” , zegt hij. “Maar toen gingen ook Iran en China knoflook verbouwen dat ze naar Afghanistan uitvoerden. Onze knoflook was duurder, we moesten de teelt staken.” Abdurrahman doet het voorkomen alsof papaver een noodzaak is voor de arme boeren. Dat mag zo zijn, maar hoe zit het dan met hem, hij heeft veel land en zou ook best graan kunnen verbouwen. “Kijk naar dit huis, naar mijn
auto, die zou ik niet hebben als ik geen opium produceerde.” Hij is erg dubbel in zijn uitspraken, want, zegt hij, hij weet dat het telen van papaver haram is, en eigenlijk wil hij geen dingen doen die niet stroken met de islam. Maar zolang andere producten niet zoveel opleveren als opium, blijft hij papaver verbouwen.

Arbap Abdurrahman leidt ons rond door het dorp. Al snel zijn we met meer dan tien man, iedereen die ons ziet sluit zich bij de stoet aan. Het wordt haast een processie. We zien verscheidene vernietigde papavervelden. De stelen zijn met de hand afgesneden. Eén veld is meteen nadat de politie vertrok bewerkt met een extra dosis dure kunstmest. De kleinste stengels, die waren overgeslagen door de vernietigers, verheffen zich manmoedig en zullen over tien dagen klaar zijn om geoogst te worden. Maar dit veld levert minder dan een derde van de opium dan was voorzien. We spreken met leden van twee gezinnen die daardoor in grote problemen zijn gekomen. Uit een van de gezinnen is de kostwinner, Abdel Karim, vertrokken. “Hij verloor zijn verstand”, vertelt Abdel Karims vader. “Hij had net geld geleend voor kunstmest en voor zijn huwellijk, hij moest een bruidsschat betalen.” De opium die zijn veld zou opleveren was het onderpand van de lening. Nu zijn veld verwoest is, zal hij zijn schulden niet kunnen afbetalen. Dat is niet alleen een sociale schande, het is bovendien iets waarmee je binnen deze gemeenschap niet weg komt. De schuldeisers, vaak criminelen, leggen hem nu een woekerrente op en zullen zijn bezittingen opeisen. Abdel Karim besloot te vluchten. Daarbij liet hij de mensen in de steek voor wie hij zorgde. Een klein, booskijkend meisje in een vies groenig truitje, wordt erbij gehaald met haar twee nog jongere broertjes. Het zijn neefjes en nichtjes van Abdel Karim, die vaderloos opgroeien en vielen onder zijn economische hoede. Opa zorgt duidelijk niet goed voor de kinderen. Ook hij ziet er armoedig uit. Zijn kleding is gescheurd en vies. Hij laat ons een pasfotootje zien van zijn gevluchte zoon. “Ik ben bang dat hij naar de Taliban is gegaan om te vechten tegen de regering die hem te gronde heeft gericht”, zegt hij. “Ik ken mijn zoon, ik weet dat hij wraak wil.” Volgens Abdurrahman vluchten veel gedupeerde opiumboeren naar Iran, waar ze worden bespeeld door extremisten van Taliban en al-Qaeda. Volgens de arbap komen ze vaak terecht in Helmand, de provincie waar de Taliban haar acties momenteel lijkt te concentreren. Zo bereikt de regering met het vernietigen van de papaveroogst dus zelfs in deze, haast Taliban-loze provincie, het tegendeel van wat ze bereiken wil. De instabiliteit van het land wordt er juist groter door, niet kleiner.

Na een paar uur rondlopen en spreken met dorpelingen, keren we terug naar het huis van Abdurrahman. Het is nu bloedheet, te warm om nog buiten te zijn. We gaan lunchen. Een van Abdurrahmans jongere zonen bedient de gasten. We eten gezeten op kussens, rijst met bonen, brood, vlees en wat gesneden tomaten, augurken en komkommer. Eten op zijn Afghaans is lekker kliederen: neem een stuk brood tussen je vingers en pak daarmee rijst en vlees. Steek het pakketje vervolgens in je mond – probeer dat maar eens zonder morsen. En niet met je linkerhand, want met links veegt men hier de billen af. Dat ritueel – waarbij je, in plaats van wc-papier, je hand gebruikt en water, vaak uit een speciaal kraantje-met-slangetje – heeft Jeroen ‘tsjeebokken’ genoemd, hij zegt dat het Indonesisch is voor dit in vele moslimlanden voorkomende ritueel (al staat het ongetwijfels los van de religie). Ik lig nog steeds in een deuk als ik voor me zie hoe hij opgelucht van een toilet in Bagdad kwam onder het spreken van de historische woorden: “Ik heb het gedaan, dude, ik heb getsjeebokt, net als die gasten hier.”  Wat hij niet in de gaten had, was dat zijn eerste tsjeebok zo’n heftig ritueel was geweest dat zijn beide broekspijpen aan de onderkant zeiknat waren van het water. Trouwens – ik heb eens goed opgelet, ze doen het allemaal – je mag ook gerust met behulp van je linkerhand stukken brood afscheuren. Jakkie.

Ik bespreek met Marty hoe we nu te werk zullen gaan. Tijdens het rondlopen heb ik hem al allerlei schijnbaar onschuldige vragen laten stellen. Zo weten we nu dat elke familie in het dorp minstens één kalasjnikov in huis heeft, dat de bevolking besloten had zich niet tegen de vernietiging te verzetten, maar dat de volgende keer wél zal doen, en dat het dorp tien opiumverslaafden kent. Maar we zijn er nog lang niet. Er klopt iets niet aan deze arbap. Hij presenteert zich iets te grootmoedig. Ik merk – Marty beaamt het – dat Abdurrahman op hem gesteld aan het raken is. Dat is niet vreemd, Marty is gevat en op een uitdagende manier brutaal. Abdurrahman gaat in op plagerige vragen van Marty. Dus besluiten we dat hij daarmee doorgaat. Ik wil weten hoe diep de arbap zelf in de opium zit.

Als we zitten uit te buiken na de lunch zet Marty zijn offensief in. Hij stelt plagerige vragen, waar Abdurrahman kennelijk heel grappig op antwoord. Er wordt veel gelachen, wij lachen natuurlijk hard mee, en er worden handen geschud als er weer een onsterfelijke grap is gemaakt. Ik hoor het woord ‘Iran’ steeds terugkeren, Marty lijkt zich er in vast te bijten. Abdurrahman geeft zijn oudste zoon een teken, hij verdwijnt en komt terug met een zwaar pakket, gewikkeld in een kunststof doek. Hij legt het op de grond en slaat de doek weg. Voor ons ligt een brok bewerkte opium zo groot als het zadel waarop je een volwassen hengst bereidt. Het spul is kneedbaar en weegt acht kilo. “ Dat levert hier bijna 1100 dollar op” , vertelt Abdurrahman, “ maar je kunt er voor honderdduizenden dollars heroïne uit maken.” Hij wil best met opium en al op de foto, als die maar niet in Afghanistan wordt gepubliceerd, lacht hij, want tsja, het mag niet hè, opium in bezit hebben. Het gemak waarmee hij zich compromitterend laat vastleggen, versterkt mijn vermoeden dat dez arbap een iets grotere jongen in de opiumhandel is dan hij zich voordoet. Blijkbaar heeft hij van de autoriteiten weinig te duchten.

Mijn vermoeden klopt. Als we vertrokken zijn, vertelt Marty op gedempte toon wat zijn uitdagende gevraag heeft opgeleverd. We praten zacht, achterin de Toyota Surf, omdat we niet willen dat Said ons hoort. Hij kent Abdurrahman goed, en is geneigd zijn daden recht te praten. Ik kan hier niet alles vertellen wat we over hem te weten kwamen, ik wil spannende stof overhouden voor onze grote reportage in De Groene Amsterdammer, die ik pas ga  schrijven als ik thuis ben. Maar het dorp van de arbap (hij heeft er goed de wind onder) is een vaste grootleverancier aan bepaalde kringen in buurland Iran. © tekst Joeri Boom en foto’s Jeroen Oerlemans / De Groene Amsterdammer


2 reacties so far
Plaats een reactie

Goed verhaal!
Wat vindt je zelf van opium, neem aan dat je wel bekend bent met het gebruik?
Waarschijnelijk zal je nee antwoorden ivm met je werk of niet soms?
Ikzelf heb er wel ervaring mee en vind het erg ok. Geen katers etc.. Niets verkeerd mee.

Reactie door frank

ik vind het niet normaal

Reactie door vie




Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: