web[oor]log


Zaterdag 22 april
april 22, 2006, 10:19
Filed under: Uruzgan april 2006

Eindelijk krijgen we genoeg slaap. Pas tien uur nadat we naar bed zijn gegeaan, ontwaken we uit een comatueuze nachtrust. Ik barst van de energie, maar kan die nauwelijks kwijt, want vandaag gaan we niet op pad. Dat komt morgen. Dan nog maar eens geïnformeerd bij de Amerikanen naar onze embed. We zouden meereizen met een eenheid van de US Army, die vecht in Kunar. Daar is onlangs een nieuw, groot offensief gestart. Het antwoord is kort en krachtig: Verzoek afgewezen, neem contact op met de Nederlandse regering. Sorry for the inconvenience. Gezien de hoeveelheid tijd die over het verzoek is heengegaan, moet onze embed al helemaal rond zijn geweest. Dit is een afwijzing op het allerlaatste moment. We balen verschrikkelijk.

Dit is de derde keer dat ons de toegang wordt geweigerd, twee keer was dat met verwijzing naar toestemming van Nederland. Je zou er knettergek van worden. Het begon toen we in november een embed misliepen door domme pech. Toen zouden we naar noord-Zabul gaan, een gebied dat grenst aan Uruzgan. Uruzgan mochten we niet binnen, want daar opereerden vooral special forces, en wat zij doen, is geheim. Maar de situatie in het noorden van Zabul was vrijwel eender aan die van Uruzgan. We bevonden ons al op de gigantische Amerikaanse luchtmachtbasis Bagram, waar in een grote loods honderden terreurverdachten onder zware omstandigheden worden vastgehouden (zeker twee stierven nadat ze beurs geslagen waren door Amerikaanse bewakers), en hadden onze flight order al op zak, wat inhield dat we binnen enkele uren in een Hercules-transportvliegtuig naar Kandahar zouden worden gevlogen en vandaar mee zouden reizen met een militair konvooi naar de plaats van bestemming, die voorlopig geheim werd gehouden. Enkele dagen eerder had een Australische journalist beelden laten uitzenden van Taliban-lijken die door Amerikaanse troepen werden verbrand. Dat is heiligschennis volgens islam, waarin is voorgeschreven dat de doden moeten worden begraven met hun gezicht naar Mekka. Wereldwijde ophef, niet in de laatste plaatst in de moslimwereld. De commandant te velde, een kolonel die een heel ongelukkige jeugd moet hebben gehad – we zagen zijn foto, wat een droefheid verpakt in machisme – gooide de hele zuidelijke sector, inclusief ‘ons’ gebied, dicht voor media.

Vlak voordat we naar Bagram waren vertrokken, was iets vreemds gebeurd. We werden gebeld door een Amerikaanse kapitein die meldde dat de Nederlandse regering (de ambassade dus) eerst toestemming moest geven voor onze embed. Dat leek ons nogal vreemd. We zouden te gast zijn bij de Amerikaanse krijgsmacht, vechtend in Afghanistan. Nederland had daar niets mee te maken. We kregen de toestemming en besloten het niet verder uit te zoeken.

Eenmaal thuis bleek dat onder meer Harald Doornbos (GPD-correspondent), met wie ik in 1998 lange tijd in Kosovo doorbracht, niet met de Amerikanen mee mocht naar Uruzgan. De reden die werd opgegeven was: mag niet van de Nederlandse regering. Vervolgens overkwam Stieven Ramdharie van de Volkskrant hetzelfde, en ook NRC en Nova werden geweigerd. Alleen de Telegraaf mocht naar binnen. Op de ochtend van het Uruzgan-debat publiceerde de krant een paginagroot artikel dat positief was over de veiligheidssituatie in de provincie. Eerder was Nieuwe Revu-journalist Arnold Karskens, de langstwerkende oorlogsjournalist van Nederland, op eigen gelegenheid naar Uruzgan gegaan, onder bewaking van 50 Afghanen, reizend in een konvooi van tien terreinwagens. Hij stelde juist vast dat de veiligheidssituatie zo belabberd was, dat Nederlandse eenheden alleen maar bezig zouden zijn met zelfbescherming, en dat ze weinig tot niets voor de bevolking zouden kunnen betekenen.

De Amerikanen laadden de verdenking op zich een selectief mediabeleid te voeren, terwijl ze altijd zo prat gaan op hun openheid. Het leek erop dat ze hen onwelgevallige journalisten weigerden, om dat vervolgens af te schuiven op de Nederlandse regering: het Telegraaf-artikel was een prima stuk, maar het las haast als propaganda. Ik stelde een lijst met vragen op aan de Amerikaanse ambassade in Den Haag en kreeg zenuwachtige medewerkers aan de lijn die uiteindelijk op geen van de vragen antwoord gaven. Alweer: erg on-Amerikaans. Hier was iets aan de hand.

Het Ministerie van Defensie bezwoer ons dat geen toestemming van Nederland nodig was. Op mijn verzoek onderzochten de ambassade in Kaboel en het Ministerie van Defensie of hen ooit om toestemming was gevraagd: nooit gebeurd, zo bleek. Defensie nam de zaak hoog op. Er volgden excuses van het Amerikaanse hoofdkwartier in Kaboel aan de geweigerde journalisten, maar Uruzgan bleef off limits, andere gebieden waren wel toegankelijk. De zaak kreeg flinke persaandacht in Nederland.

Vlak voor ons vertrek naar Afghanistan werd wéér een embed dat we hadden aangevraagd, niet eens in Uruzgan, afgewezen met verwiijzing naar de Nederlandse regering. Toen ik daarop het hele verhaal uit de doeken deed van het eerdere ‘misverstand’, besloten de Amerikanen de toestemmingskwestie ter zijde te schuiven en verder te gaan met de voorbereiding van onze plaatsing bij een eenheid in Kunar. Om vervolgens vandaag het hele verhaal te beëindigen met opnieuw een verwijzing naar de Nederlandse regering.

Hier klopt geen hout van. Onmiddellijk stuur ik de afwijzingsmail door naar luitenant Nico van der Zee, de woordvoerder van Defensie. Die snapt er ook niets van. Binnen een half uur krijg ik een cc van zijn bericht aan de Amerikaanse kapitein die over onze embed gaat. Er is geen toestemming nodig van Nederland, meldt Van der Zee zijn Amerikaans collega, met een wrevelige ondertoon: hij had dit al eens duidelijk gemaakt, niet waar? Ik meld de kapitein dat ook de Nederlandse ambassade in actie gaat komen “with diplomatic strings attached”. Wie niet waagt, die niet wint. Mariko Peters, tweede in hierarchie op de ambassade, reageert verontwaardigd als ze hoort wat er aan de hand is. “Ik dacht dat we dat hadden opgelost, nu begint het van voren af aan.” Ook zij stuurt een stevige e-mail. Bovendien beveelt ze ons persoonlijk aan, dat kan ze doen, ze kent ons en ons werk, We zijn haar dankbaar, het is een steun in de rug die we goed kunnen gebruiken., nu een deel van onze reis in het water dreigt te vallen. Het Grote Wachten, een onoplosbaar euvel van de oorlogsjournalistiek, begint weer.

Van een bevriende Amerikaanse kapitein op het hoofdkwartier in Kaboel hoor ik dat er net een heel nieuwe ploeg is aangekomen die over de embeds gaat. Zou dat het zijn? Of hebben de Amerikanen andere redenen om ons te weigeren (waarom toch, we zijn heus lieve jongens), en schuiven ze het gemakshalve af op de Nederlandse regering? Voorlopig is het een raadsel wat er aan de hand is. Benieuwd hoe dit afloopt. De ergernis zet ik van me af. Deze bureaucratische gekkigheid hoort bij dit merkwaardige vak.

Ter afleiding van de ergernis vertel ik nu dan maar over de ontmoeting met een ware Paradijsvogel. Oorlogsgebieden trekken mafketels aan. P. is daar één van. Ik kan zijn  naam niet noemen. I will hunt down and kill you, zei hij, als sommige dingen van wat hij vertelde bekend zouden worden. Ach ja, bibberdebibber, laat ik die zaken dan maar even onder de pet houden. De rest van zijn verhaal is al absurd genoeg.

We ontmoetten P. in het Mustafa Hotel, op onze eerste avond in Kabul, nadat we zo onbevredigend hadden gedineerd in de Kabul Lodge. De Professor, die weet dat wij geïnteresseerd zijn in Uruzgan, kwam die avond naar ons toe en vertelde fluisterend dat we eens met P. moesten gaan praten, een Amerikaan, net terug uit Uruzgan. “Maar ik denk dat hij van de CIA is. Hij is gevaarlijk ’s avonds, dan is hij dronken. Je kunt beter morgenochtend met hem praten.” Uiteraard zochten we hem ogenblikkelijk op, in de bar van het hotel. Hoe dronkener hoe beter als je informatie van iemand wilt die hij eigenlijk voor zich wil houden. Van de CIA was hij natuurlijk niet, wat doet een CIA-agent in het aanslaggevoelige, gestoorde en bovendien tamelijk oncomfortabele Mustafa Hotel?

P. bleek een eenzame man te zijn van een jaar of vijftig, met droevige hangende hondenogen. Hij is op een gevaarlijke, zelfverkozen missie, die zo stupide is, dat we het hem het beste zélf kunnen laten vatten in woorden. Hij wilde graag praten. Hier volgt zijn verhaal.

“Ik had een prima leven, ik bouwde luxe vakantiehuizen voor veel te rijke landgenoten in de staat A. Ik had contact met sommige groten der aarde, als ze kwamen kijken hoe het werk aan hun huisje vorderde. Filmsterren, politici. Ik kletste wat met ze af. Ook overde oorlog. Het zat me hoog dat wij zo worden aangevallen door die terroristen. Waarom wij? Wij hebben het nooit slecht bedoeld met de wereld. Maar toen kwam die avond waarop ik een documentaire zag over hoe onze jongens werden gedood in Afghanistan. Zo’n shit hole, aan de andere kant van de Oceaan. Ik wilde iets doen, maar wat? Ik had al tijden een geel lint aan de antenne van mijn auto bevestigd, to support our troops overseas, maar daarmee win je geen levens. Dat is wat ik wilde doen, ik wilde dienstbaar zijn aan mijn natie, levens redden van onze militairen, helpen waar ik kon. Nee, het is niet wat je denkt, ik was niet van plan om de vijand te lijf te gaan. Dat is niet aan mij. Ik wilde niet meer dan helpen bij het doel dat mijn natie zich gesteld heeft: ons verdedigen tegen de terroristen en de wereld vrijheid brengen. Dus heb ik een goede digitale filmcamera gekocht, eentje met een harde schijf van twintig gigabite, ik heb het tegoed op mijn credit card maximaal aangezuiverd, traveller checks ingeslagen, en ik ben naar Kaboel gevlogen. Helpen, wilde ik, niet meer dan dat.

“Ik spreek Arabisch, ik heb het gestudeerd in de VS – ik wilde altijd iets heel anders doen dan normale mensen. Dat komt nu goed van pas. Als ik reis, kleed ik me als de Afghanen. Met mijn grijze baard val ik niet op. Ze denken dat ik moslim ben. Ik heb stiekem de rituelen gefilmd, hoe ze zich wassen voor het gebed, het gebed zelf. Ik heb alles van buiten geleerd door het materiaal veel te bekijken. Dat red me steeds weer, zelfs als ze weten dat ik een buitenlander ben, word ik gespaard als ik zeg dat ik het Ware Geloof beleid. Ik heb geluk gehad. Ik ben tot nog toe geen echte Taliban tegen het lijf gelopen. Maar als iemand erachter komt dat ik hun geloof misbruik, gaat mijn kop eraf.

“Ik ben hier nu meer dan acht maanden. Inmiddels ben ik wel op alle Amerikaanse bases geweest in het Zuiden en het Oosten, bij Pakistan. Ik reis altijd in oude, onverdachte wagens, met een chauffeur die ik kan vertrouwen. Niet zo een die je voor geld uitlevert aan criminelen, of een Taliban-eenheid. Als we reizen, wil ik niet dat hij belt. Alleen als het echt nodig is, en dan moet ik eerst weten met wie en waarover. Amerikaanse militairen die me nog niet kennen, zijn meestal verbaasd als ze me zien, wapperend met mijn US-paspoort. Mijn vermomming werkt uitstekend. Als ik dan laat zien wat ik gefilmd heb, vallen ze bijna van hun stoel. Dat ik het durf, zeggen ze. Of ik gek geworden ben. Het is gevaarlijk, ik weet het. En ik wil graag blijven leven, het is heus niet dat ik een verborgen doodswens heb. Ik dacht er eigenlijk over om terug te keren naar de VS. Die traveller checks zijn hier nutteloos en aan een credit card heb je hier ook niks. Mijn geld is nu echt op.

“Ik film de wegen. Integraal, de hele route. Met alle dorpen, alle hinderlaag-gevoelige plekken en alle mijnenvelden. Zo wil ik mijn land dienen, door onze militairen informatie te geven waar ze wat aan hebben. Als je weet hoe de route eruit ziet die je met je patrouille aflegt, kun je je beter voorbereiden op aanslagen. Ik vraag er niks voor, ik doe dit niet voor geld. Ik weet het, zelfs commando’s doen dit niet. Het risico is veel te groot dat ze in handen vallen van de vijand. Ik weet niks, ik ben aan niemand verbonden, als ik wordt gegrepen, komt niemand in verlegenheid.

“Laatst ontmoette ik in Kandahar iemand die me vroeg of ik wist wat de gevaarlijkste plek ter wereld was. Dat wist ik niet. Hij wel. Hij noemde de naam van een Afghaanse provincie waarvan ik nog nooit gehoord had. Uruzgan. Daar was ik nog niet geweest. Hij bezwoer me dat maar zo te houden. Toen ik later op de Amerikaanse basis in Kandahar was, raakte ik aan de praat met Nederlandse militairen. Ze vroegen me hoe het was, daarbuiten. Ik vertelde ze dat het gevaarlijk was voor militairen, gevaarlijker dan voor mij. Ik liet ze mijn materiaal zien, ze waren enthousiast en vroegen of ik ook de wegen gefilmd had in het gebied waar zij gelegerd zouden worden. Toen hoorde ik weer die naam: Uruzgan.

“Ze wilden heel graag dat ik op onderzoek uitging. Ik ben meteen aan het werk gegaan en heb een Afghaan die ik vertrouw opdracht gegeven een wagen en een chauffeur voor me te regelen. Hij heeft het twee dagen geprobeerd, maar niemand wilde me naar Uruzgan brengen. Ze vonden het veel te gevaarlijk. Dus heb ik het anders aangepakt. Ik heb een auto gehuurd. Ik moest beloven aan de eigenaar dat ik niet de stad uit zou gaan. Dat heb ik natuurlijk wel gedaan. Ik heb een betrouwbare chauffeur opgescharreld en hem gedwongen de weg naar Tarin Kowt te volgen, de hoofdstad van Uruzgan, yet another shit hole. Hij was bang. Ik ook. Ik heb alles gefilmd. Midden in Tarin Kowt kruisen de twee belangrijkste provinciale wegen. Ik heb ze allebei helemaal gevolgd. Het materiaal heb ik aan jullie militairen gegeven. Dan weten ze tenminste waar ze terecht komen. Jullie doen goed werk hier, wij Amerikanen beseffen dat en waarderen dat. We appreciate. Really do.

“Vertel me nou eens, jij hebt meer oorlogen bezocht dan ik, hoe werkt het? Wanneer weet je dat je laatste uur geslagen heeft? Ik heb altijd een shotgun in de wagen. In mijn eentje kan ik niet op tegen een groep terroristen, but I’ll make them kill me, ik zal er zoveel mogelijk meenemen in mijn graf. Eigenlijk wil ik naar huis. Maar er is nog één route die ik moet filmen. Aan de grens van Nimroz, daar waar Iran, Pakistan en Afghanistan samenkomen waagt zich niemand van onze troepen. Er wordt veel opium het land uit gesmokkeld daar, en waarschijnlijk komen als ruilgoed langs die weg de explosieven binnen voor de bommen waarmee zelfmoordaanslagen en aanvallen langs de weg worden uitgevoerd. Ik kan niet zeggen hoe ik dat weet. Ik heb op die basis in Kandahar gesproken met mensen die meer weten dan jij en ik, laten we het daar maar op houden. Nog één missie, dan stop ik ermee. Het is mooi geweest. Maar aan de andere kant, wat moet ik thuis? Het huis is leeg. Ze komt niet meer bij me terug. Dat liefde onpeilbaar is wist ik al, maar nu heb ik iets geleerd wat ik liever niet wist, dat het leven klein is. Niet groter dan het kaliber van mijn shotgun.”

Twee dagen later was P. vertrokken. De geheime elementen uit z’n verhaal (I wil hunt down and kill you) bleken bekend bij zo’n beetje alle mafketels in dit hotel. Degene die hem voorlopig het laatste zag was de Professor, die in alle vroegte een rit voor hem geregeld had naar Kandahar. We zijn van plan daar volgende week heen te gaan, onveilig of niet. Dáár speelt zich nu de oorlog af, niet hier in Kaboel. Misschien komen we hem nog tegen.

© tekst Joeri Boom en foto’s Jeroen Oerlemans / De Groene Amsterdammer

Advertenties

Geef een reactie so far
Plaats een reactie



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers liken dit: