web[oor]log


Donderdag 20 april
april 20, 2006, 13:04
Filed under: Jeroen Oerlemans, Joeri Boom, Uruzgan april 2006

De uitvoering van ons plan laat even op zich wachten. Vandaag moeten we naar de tweede stad van het land, Herat, niet ver van de Iraanse grens, één uur vliegen van Kaboel. Onze vlucht vertrekt om tien uur ’s ochtends en we moeten er écht twee uur van tevoren zijn, zo werd ons nog op het hart gedrukt door de baliemedewerker van KAM-Air. Deze kleine vliegmaatschappij is de concurrentie aangegaan met Ariana, de nationale luchtvaartmaatschappij. Beter presteren dan Ariana is niet zo moeilijk. De oude Airbus waarmee het bedrijf van Frankfurt naar Kaboel vliegt, valt aan de binnenkant haast van ellende uit elkaar. De deuren van sommige bagagevakken sluiten niet, er hangen paneeltjes los, de ene stoel kan wel, de andere niet naar achter. Je zult er niet van neerstorten, maar echt happy flying is het niet. Puntje van zorg is wel dat Ariana onlangs is verbannen van Europese vluchthavens. We maakten al een keer mee dat de vlucht van Kaboel naar Frankfurt eindigde in Istanboel, omdat Frankfurt om onderhoudstechnische redenen het vliegtuig niet wilde laten landen. In Istanboel werden we overgeladen in een charter van Sun Air. Eenmaal diep in de nacht aangekomen in Frankfurt reden er geen treinen meer naar Amsterdam, dus sliepen we oncomfortabeler dan tijdens onze tamelijk zware reis in Afghanistan: op bankjes. Merkwaardig genoeg konden we afgelopen maandag op de heenreis naar Kaboel gewoon met Ariana vliegen vanaf Frankfurt. Bestaat er ook een opstijgbeleid voor luchtvaartmaatschappijen? Het zou ons niet verbazen als de terugreis weer noodgedwongen via Istanboel gaat.

De balie van Kam Air ziet er prima uit – gevestigd in een spiksplinternieuw business centrum met veel glas en airconditioning. We worden nog prompt geholpen ook. Kam Air gaat de strijd winnen, denken we dan nog.

Als we ons aan het ontbijt zetten, komt Abdullah, de hotel manager, verbaasd aan ons tafeltje. “Zijn jullie er nog? Jullie hadden al een half uur op het vliegveld moeten zijn. Kam Air vertrekt vandaag een uur vroeger.” Dat wordt dus racen, met een half ontbijt de auto in, op de valreep nog onze hotelrekening betalen. Van taxi naar vliegveld moeten we een eind rennen met onze niet echt lichte bepakking. Halverwege moet een bewaker ons ticket zien (een Afghaanse ziekte, om de haverklap vragen naar een document). Hij kijkt ons meewarig aan, schudt z’n hoofd en zegt “no check in”. We graaien onze tickets uit zijn handen en zetten het op een lopen. We zijn tien minuten te laat voor om in te checken, uitgaande van de normale vluchttijd. Het toestel moet er nog staan. Daar moet dus een mouw aan te passen zijn. Maar nee, bij de ingang van de terminal staan twee uitgemergelde mannetjes in grauw uniform met de onvermijdelijke kalasjnikovs om hun schouder. “No check in.” We doen het zielige gezicht, we doen het boze gezicht, we doen het wanhopige gezicht. “No check in”. Net als we de moed willen opgeven, komt een Kam Air-medewerker, die wél Engels spreekt, vertellen dat er over twintig minuten ingecheckt kan worden. Het vliegtuig is wat laat. Welkom in Afghanistan, waar tijd al net zo relatief is als een mensenleven.

Op de Boeing 737 van Kam Air is weinig aan te werken. Op de bedieningscrew ook niet: die is Russisch en bevat twee alleraardigste blonde stewardessen. Blijft merkwaardig, Russisch horen spreken, Russisch zien, temidden van Afghanen die, als ze al niet zelf aan de jihad tegen de in 1979 binnengevallen Russen hebben deelgenomen, vast en zeker behoren tot families die geleden hebben onder de bikkelharde strijd. Afghaanse luchtvaartmaatschappijen hebben iets met buitenlands vliegtuig personeel. Doorgaans bestaat zeker de helft van de Ariana-crew uit Fransen. In het Intercontinental Hotel, na ons bezoek aan Senlis Council, ontmoetten we een ploeg Afrikanen: het betrof de piloot en zijn cockpitmedewerkers die van onze vlucht  Frankfurt naar Kaboel. Je zou kunnen denken dat het in dienst nemen van buitenlanders een Afghaanse manier is om aansluiting te vinden bij de internationale gemeenschap. In werkelijkheid toont dit echter het schrijnende opleidingsgebrek, een gevolg van de bijna drie decennialange strijd die het land en haar generaties kapot maakte.

In het vliegtuig raken we aan de praat met Latif, een Afghaan van een jaar of vijftig. Hij keert terug van een uitstapje naar Kaboel, met zijn vrouw en zijn zoontje van vier. Zijn twee dochters moesten het reisje missen, want ze moesten naar school in Herat. Latif vertrok uit Afghanistan toen de Russen binnenvielen en bouwde een nieuw leven op in Canada. Vier jaar geleden, toen de Taliban nog maar net verdreven waren en de internationale hulp nog nauwelijks op gang gekomen, keerde hij terug. “Ik word ouder, ik was bang dat ik het niet meer zou aandurven als ik te lang wachtte.” Maar, zegt hij, “ik wilde ook een voorbeeld stellen.” Sindsdien zijn maar vier Afghaanse gezinnen uit het Westen teruggekeerd naar Herat. Allevier de gezinshoofden gingen in zaken, maar alleen Latif boert goed. Hij heeft een bedrijf dat tolken, terreinwagens, chauffeurs, bewakers en andere diensten levert aan de internationale vredesmacht ISAF en hulporganisaties. Handig hem te leren kennen. “Als jullie iets nodig hebben in Herat, hier is mijn nummer, bel maar en ik regel het.”

De terugkeer deed zijn ziel goed, maar het harde leven viel hem zwaar. Het kostte veel moeite zijn bedrijf op te bouwen. Afghanistan was helemaal kapot, er was geen banksysteem. Ook nu nog staat dat in de kinderschoenen, weten we van de financieel expert die we ontmoetten in de Hollandse enclave. “Mijn dochters moesten helemaal opnieuw beginnen met de middelbare school omdat ze nauwelijks Dari spraken”, zucht Latif. De economie kende een opleving vanaf 2002, vertelt hij. Maar die is inmiddels omgebogen in een scherp dalende curve, althans, in Herat. Hij geeft ons een lift vanaf het vliegveld. We passeren een terrein met moderne bedrijfsgebouwen. “Daar staan vier fabrieken. Er worden verpakkingsmaterialen gemaakt en frisdranken. Cola, onder meer, maar dan niet de echte.” Niemand koopt de producten echter, zegt hij. “In Iran wordt alles beter én goedkoper gefabriceerd. Iran overspoelt ons met ziijn producten, daar kunnen we niet tegenop.” Eén van de fabrieken heeft de deuren al moeten sluiten, en de rest zal spoedig volgen, vreest hij. Toen hij terugkeerde zag hij het helemaal zitten met zijn land, nu is zijn toekomstbeeld inktzwart. “De Taliban winnen aan kracht, de mensen zijn gefrustreerd. Ik zou niet weten hoe we het hier op eigen kracht economisch moeten redden. We zijn volledig afhankelijk van de internationale gemeenschap. Als die zich terugtrekt, stort mijn bedrijf in, omdat niemand behalve zij nodig heeft wat ik lever. Het grootste probleem is het ontbreken van een binnenlandse markt. We kunnen wel producten fabriceren, maar de mensen hebben het geld niet om ze te kopen. En als dan ook nog eens het buitenland het beter doet en voor minder geld, dan houdt het op.” Eén van de grootste problemen in Afghanistan is het ontbreken van een middenklasse, analyseert hij. Je bent hier of schathemeltje rijk wegens slimme handel, in de oorlog vergaard bloedfortuin of werkzaamheden in de opiumbusiness, of straatarm. Er zit maar weinig tussen in. “In Iran bestaat een sterke middenklasse die de rijke olie-elite diensten levert en zelf kapitaalkrachtig genoeg is om Iraanse producten te kopen. Het gaat tientalle jaren duren voor wij zover zijn. En dan is het hier óók nog eens oorlog!” Zelf denkt hij niet aan vertrekken, maar hij betwijfelt of zijn kinderen in Afghanistan een toekomst hebben. “Of ze uiteindelijk blijven, beslissen ze zelf.”

Latif zet ons af bij Hotel Marco Polo, waar de ploeg van Senlis Council eveneens haar intrek heeft genomen. Tijdens de rit door de stad viel ons op hoe goed de wegen geasfalteerd waren, en hoe boomrijk en goed onderhouden de straatkanten erbij lagen. We zagen zelfs een vuilnisploeg die het open riool uitbaggerde. Herat staat bekend als de stad van Afghanistan die zijn zaakjes het beste op orde heeft. Hier wérken dingen. Zo is er bijvoorbeeld dag en nacht stroom, terwijl in Kaboel overdag de stroom enkele keren langdurig uitvalt en ’s nachts de stekker uit het lichtnet wordt getrokken. Hotel Marco Polo ontvangt ons met groene thee en snoepjes. Geweldig! We betrekken een tweepersoonskamer a 62 dollar per nacht. Niets mis mee, dit zijn Hotel Mustafa-prijzen.

We schudden handjes met de mensen van Senlis Council, die vier kamers hebben geboekt, en bespreken de bijeenkomst van morgen, als zich de vertegenwoordigers van opium verbouwende dorpen uit de districten van de provincie Herat zullen verzamelen om door Senlis Council te worden geïnformeerd over hun legaliseringsplan voor de papaverteelt. We maken kennis met Gerrit en zijn kornuit, twee reuzen van Zuid-Afrikanen, die, zeggen ze zelf, “heus niet alléén zijn ingehuurd voor de beveiliging.” Ze zien eruit als huurlingen, zijn erg aardig en zeker Gerrit blijkt ook bepaald niet op zijn achterhoofd te zijn gevallen. Ik voer een gesprek met hem dat (leve het cliché) begint met het verschil tussen mijn “lift” en zijn Afrikaanse “hijsbak”, en eindigt bij de venijnige tentakels der farmaceutische industrie, die door haar monopolie op codeïne en morfine de prijs ervan veel te hoog houdt. Gerrit is uitstekend op de hoogte, en gelooft met vuur in legalisering.

Aan het einde van de middag gaan we de stad in. Lopend als altijd. Overdag was het heet, 30 graden. Nu, aan het einde van de middag, is het heerlijk koel. Op straat is het Aziatisch druk. Overal riksja’s, paardentaxi’s en verkopers van noten, zoetigheid en telefoonkaarten. Er wordt opvallend weinig gebedeld, een groot verschil met Kaboel. We begeven ons naar de Blauwe Moskee. Lang geleden gebouwd door hoe-heet-ie-ook-weer. We hebben geen reisgids mee. “want we zijn geen toeristen’, zou ik hier kunnen schrijven, maar de waarheid is dat ik het ding vergeten heb. In de Rough Guide Central Asia staat een heel aardig hoofdstuk over Afghanistan, met veel aandacht voor Herat en zijn tot Zoroaster teruggaande cultuur. Ligt te verstoffen thuis in Amsterdam, die gids. Hebben wij weer. De Zoroastrianen die het vuur aanbaden wegens zijn puurheid en geloofden in een god van het Goed en een god van het Kwaad, beleefden het hoogtepunt van hun religie drieduizend jaar geleden. Dat weten we dan weer wel, maar vraag niet hoe. We zouden de Blauwe Moskee natuurlijk kunnen googelen, er is internet, ook in dit hotel, maar de verbinding is ongelooflijk traag. We kunnen het ook gewoon even vragen aan het behulpzame hotelpersoneel. (….) Achthonderd jaar oud is de Blauwe Moskee. Zijn minaretten en boogconstructies zijn ingelegd met paars-blauwige mozaïeken. Van een afstand is de moskee een genot om naar te kijken. Op de enorme binnenplaats heerst een serene rust, een vlijmscherp contrast met de drukte van de stad buiten de moskeemuren. Midden op het ommuurde plein van God ligt een kalasjnikov-bewaker languit op zijn rug. Oog-in-oog met zijn Schepper, wellicht? Je weet het niet. Maar dat er iets religieus uitgaat van de weldadige stilte hier, is zeker.

Een kwartier lopen verder ligt de citadel, gebouwd door Alexander de Grote, rond 300 voor Christus. Laat dat even rustig op u inwerken:

DRIEHONDERD VOOR CHRISTUS!

ALEXANDER DE GROTE!

We gaan binnen en vinden een heel klein bebaard mannetje dat ons graag rondleidt. Hij spreekt geen woord Engels, maar over deze burcht heb ik niet geheel toevallig onlangs nog gelezen. Hij is meerdere keren verwoest en steeds weer opgebouwd door nieuwe heersers. Wie dat precies waren en in welke chronologische volgorde, ben ik even kwijt. Als we in de resten van een heel lage burcht-hamam staan, kijk ik Jeroen ernstig aan. Hier liep Alexander de Grote ooit. Misschien baadde hij hier, of schold hij een commandant de huid vol, of peinsde hij zich suf over hoe hij die taaie stammen eronder kon krijgen. “Ik heb een geluksmoment”, spreek ik plechtig. Jeroen zucht en gaat door met zijn pogingen de burcht in al zijn afgebrokkelde schoonheid te fotograferen.

Als we afdalen van de dikke, stoffige muren, zien we in een van de torens inslagen van granaatscherven en diepe butsen. Het kleine baardmannetje gebaart dat hier de Taliban met raketten (“roketti, roketti”) de burcht te lijf gingen. Maar Alexander overwon opnieuw. De burchtmuren waren te zwaar voor de beeldenstormers, cultuurverwoesters en geschiedvervalsers die zich ‘religieuze studenten’ (‘Taliban’) noemen. We nemen een riksja naar het hotel, en hebben voordat we instappen een ontzettend grappig moment met een olijke, een beetje Engels sprekende verkeersagent. “Too many people, too many people”, verzucht hij, terwijl de brommerriksja’s links en rechts langs hem heen schieten. Hij regelt onze riksjarit: dertig Afghani, da’s 60 dollarcent, voor bijna een kwartier rijden.


Geef een reactie so far
Plaats een reactie



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: