web[oor]log


Woensdag 19 april
april 19, 2006, 10:16
Filed under: Uruzgan april 2006

Bij het ontbijt ontmoeten we meneer Hussain, die blij is ons weer te zien. We noemen hem ‘de Professor’, aangezien hij over van alles wel iets wetenschappelijks weet te melden. Hij geeft les op de universiteit van Kaboel, als geograaf. In de avonduurtjes onderwijst hij jonge Afghanen in het Engels. Een Engelse cursus kun je hier volgen voor één dollar per maand. De Professor ziet uit naar zijn pensioen, volgend jaar. Dan krijgt hij negentig dollar per maand om niets te doen. Een flink bedrag naar Afghaanse begrippen.

Zoals gewoonlijk schenkt de Professor ons overvloedig groene thee, chai saps in het Dari. In Afghanistan, met zijn vele bevolkingsgroepen, worden meerder talen gesproken. In Kabul overheerst het Dari, een Afghaanse vorm van Perzisch, met name gebezigd door de Tadzjieken, de tweede bevolkingsgroep van het land. In het zuiden en oosten zouden we moeite hebben met het bestellen van onze geliefde groene thee. Daar wonen voornamelijk Pashtun, de grootste bevolkingsgroep hier, die in het Nederlands vaak wordt aangeduid met de archaïsche naam ‘Pathanen’. Zij spreken Pashtu, een taal waarin we geen woord kennen. In midden Afghanistan wonen Hazara – het volk waaruit de professor afkomstig is.

Hun taal is weer anders dan Dari en Pashtu. En dan zijn er nog de Oezbeken in het noorden, die Oezbeeks spreken en Turkmenen, die een variant van het Turks bezigen. En natuurlijk de Kuchi-nomaden, getrouw hun aard verspreid over het land. Wat spreken die eigenlijk? Afghanistan is een lappendeken van volkeren, die tezamen een wonderlijke natie vormen. De Professor vertelt ons wat we al weten. Kaboel is veilig, maar het zuiden (Kandahar) en het oosten (Kunar) daar is het niet pluis! Laten we nou net van plan zijn om naar Kandahar te gaan, als we tijd overhouden, om de Nederlandse troepen te bezoeken die daar op het militaire vliegveld hun hoofdkwartier hebben – zij gaan de kampen in Uruzgan opbouwen voor de hoofdmacht die vanaf juni zal arriveren. En we willen ook naar Kunar, mee met de Amerikanen.


Benieuwd wat ervan terecht zal komen. Onze ervaring leert dat van elke twee plannen er in conflictgebieden eentje sneuvelt. Voorlopig zijn we nog vol goede moed en laten we ons vrolijk volgieten met chai saps van de Professor.

’s Middags vervoegen we ons bij de Senlis Council, de ngo die zich bezig houdt met een legaliseringsoplossing voor het Afghaanse opiumprobleem. Senlis Council zetelt op de bovenste verdieping van wat eens het meest luxe hotel van Kaboel was, het Intercontinental. Het hotel, gelegen aan de rand van Kaboel, heeft zijn plaats moeten afstaan aan een glaspaleis in het centrum. We spreken met de directeur van de Afghaanse afdeling, Guillaume Fournier, een in onberispelijk pak gehulde tengere Fransman die graag samenwerkt met de media. “Jullie zijn Nederlanders, jullie snappen hopelijk wat we voor ogen hebben.”

Inmiddels is ons duidelijk dat er wel wat in zit, in het project van Senlis Council. Afghanistan voorziet momenteel illegaal in 90% van de eveneens illegale wereldbehoefte aan opium. Uit onderzoek van Senlis Council blijkt dat als de hele Afghaanse productie zou worden gelegaliseerd om er morfine en codeïne uit te vervaardigen, nog maar 35% van de wereldbehoefte aan die medicijnen gedekt zou zijn. We besluiten onze reportage door te zetten. Dit wordt ons belangrijkste verhaal.

We vliegen morgen naar Herat, in het middenwesten van het land, niet ver van Iran. Daar organiseert Senlis Council een bijeenkomst met vertegenwoordigers van papaver-boeren, daar moeten we bij zijn. We charteren een Senlis-tolk (Almas heet hij) om later naar Jalalabad te reizen, in de van opium vergeven provincie Nangarhar in het oosten, grenzend aan Pakistan. Hij kent er veel opiumboeren die gedupeerd zijn omdat hun papaver is vernietigd en de regering hen nauwelijks helpt bij het vinden van een alternatief gewas. “Veel boeren verkopen hun land en gaan naar Pakistan, om te werken in de steden”, vertelt Almas.

Op de weg terug naar het hotel knaagt wel de vraag hoe Senlis Council komt aan zoveel geld. Het kantoor moet peperduur zijn, de pakken zijn van uitstekende snit en hun mensen zitten verspreid over het hele land. Een machtige organisatie, zo lijkt het. Ook dat behoeft nader onderzoek. Jeroen stapt uit bij het glaspaleis dat het Intercontinental naar de kroon steekt. “Even wat stock-fotootjes maken”, is zijn vaste opmerking als hij het weer eens op zijn heupen krijgt en in zijn eentje op pad gaat.

Jeroen werkt niet alleen voor De Groene Amsterdammer, uiteraard. Hij levert ook werk aan twee bekende fotoagentschappen, Panos en Hollandse Hoogte. Mooie, harde platen, waarvoor hij zijn onderwerpen dicht benadert. Ik moet nog bergen werk verzetten. Contacten aanboren, weblog schrijven, mails checken, vliegtickets kopen bij Ariana, de nationale luchtvaartmaatschappij. Ik keer terug naar het hotel.

Na gedane arbeid ga ik op zoek naar onze vriend Dan. We ontmoetten hem in november in het Mustafa Hotel. Dan is Frans en woonde lange tijd in Burma/Myanmar. Daar zette hij een paar fabriekjes op in handgemaakte producten. Toen die eenmaal lekker draaiden, bedacht hij zich dat hij Frankrijk toch wel mistte. De oplossing: een Franse bakkerij annex dejeuner-gelegenheid in Rangoon. Ook dat werd een succes, maar Dan mistte nog wat: het avontuur. Dus verkocht hij de boel en vertrok naar Kaboel. Daar nam hij zijn intrek in Hotel Mustafa, vastbesloten ook in Kaboel een bakkerij/restaurant op te zetten.

Toen we hem ontmoetten, bleek dat zo makkelijk nog niet te zijn. Kaboel zit vol internationals, en daardoor zijn de huurprijzen enorm gestegen. Vlak voor ons vertrek meldde hij enthousiast dat hij waarschijnlijk toch iets gevonden had. Nu zijn we benieuwd hoe het hem is vergaan. Rick, de Canadese chefkok (een groot woord voor een keuken die niet veel verder komt dan barbecue en grill burger) van het Mustafa Hotel, weet waar zijn bakkerij zich bevindt. Niet ver van het hotel, in een zijstraat van ‘Flower Street’. In Kaboel dragen de straten naast hun Afghaanse namen, namen in het Engels, die slechts bekend zijn bij de buitenlanders. Vraag een Kaboeli naar ‘Chicken Street’ (hier om de hoek) en hij kijkt je aan of je van een andere planeet komt.

Op onze tocht worden we onmiddellijk omringd door een groepje straatkinderen waarvan we sommigen al kennen. We kopen een Kabul Weekly van ze. De kinderen houden zich in leven met het verkopen van Engelstalige krantjes, boekjes en kauwgom aan buitenlanders. Kabul Weekly is een handig, onafhankelijk blad, gemaakt door westerse journalisten die in Kabul sinds lang hun domicilie hebben gekozen. Tegenwoordig bevat het blad ook enkele pagina’s in het Dari. Afghanistan kan wel wat onafhankelijke nieuwsgaring gebruiken. De Amerikanen en de regering stouwen het land vol propaganda. Het is prettig het blad te kunnen kopen van ondernemende kids.

Als ik Dans bakkerij gevonden heb (natuurlijk verdwaal ik eerst flink, een onuitwisbare karaktertrek die gelukkig leidt tot bezopen avonturen), zit Jeroen daar al aan de pastiche. Hij heeft, zegt hij ernstig, een geluksmoment. Dat klinkt lekker, dus laat ik mij een rode wijn serveren. Dan laat trots zijn bakkerij zien en zijn lunchgelegenheid, en stopt een ongelooflijk lekkere croissant in mijn handen. ‘Schandalig duur ben ik’, grijnst hij, ‘en dus loopt de tent goed. De internationals hebben me gevonden. ’

Bij ons schuift Robert aan, een Nederlander die al tijdens de Taliban in Afghanistan verbleef. Hij houdt zich bezig met ‘culturele projecten’. Daar willen we veel meer over weten. Robert nodigt ons uit bij hem thuis, vlakbij Dans patisserie. We nemen afscheid van Dan – niet voor lang, we willen méér van die croissants. Buiten de omheining – alle gebouwen waar westerlingen zich wagen zijn ommuurd en worden bewaakt door aardige, met kalasjnikovs gewapende mannen in fletse uniformen – stapt Robert op zijn motor met oud verbleekt VN-nummerbord. “Soms denken de bewakers dat ik voor de VN-werk en mag ik er met motor en al zo naar binnen.” Hij ziet er met zijn golvende haar, op zijn motor, uit als een filmster uit een andere tijd.

We wandelen achter Roberts pruttelende motor aan, op weg naar zijn huis vlakbij. Daar speelt zich het volgende tafereel af. (Wat nu komen gaat, kan schokkend zijn. Zeker voor mensen die graag geloven dat het heel niet pluis is in Kaboel, en dat wij, wij Nederlanders, niets te zoeken hebben in Afghanistan, land der waanzinnigen, waar al zevenentwintig jaar oorlog gevoerd wordt.)

Robert opent de poort. Het eerste wat opvalt, is een tree Grolsch-blikjes, keurig verpakt in plastic, op een tafel, buiten. Op een plat dak, dat op de patio uitkijkt, staan een tafeltje en wat stoelen, we zien twee mensen, nippend aan een witte wijn. “Hoi”, zegt Robert. “Hallo” klinkt het uit twee oer-Hollandse kelen. “Eten jullie mee?” We zijn beland in het hoofdkwartier van een vrolijk, jong, getalenteerd en hardwerkend Nederlands enclavetje in Kaboel.

We schuiven aan, drinken rode wijn en bier, en genieten van de zachte avond. Het zal een graadje of twintig zijn. Met zijn allen begeven we ons naar de keuken om elk een deel van het avondeten voor te bereiden. Spinazie met kipfilet en een halve emmer kruiden. We besluiten dat dit het eerste gerecht is in de ras berucht te worden nieuwe keuken van de “Dutch-Asian Fusion Cooking”.

Tijdens het koken vervoegen zich steeds weer nieuwe gasten in het Hollandse hoofdkwartier. Uiteindelijk gaan we aan tafel met een Nederlands-Afghaanse 007 (wil niet zeggen watvoor werk hij doet, maar werkte ooit, heeeel lang geleden, voor de militaire inlichtingendienst), een vrouwelijke adviseur van op zijn minst twee Afghaanse ministeries, een financieel expert die zich het hoofd breekt over het opzetten van een banksysteem in dit kapotte land, een Franse hulpverleenster, en een Franse consultant van het een of ander. Als het diner bijna ten einde is, voegt zich nog een Nederlandse bij ons die werkt voor de VN. Robert moest ervandoor, had een eetafspraak elders. De stemming is uitstekend, de discussies zijn niet van de lucht, en ach, we drinken een glaasje.

Dan knallen de ramen bijna uit hun sponningen. ‘Dat was een gecontroleerde explosie’ grapt 007. De Fransen en de Nederlandse VN-ster grijpen naar hun mobilofoons om hun veiligheidschefs te bellen. Het radioverkeer komt snel op gang. Rustige stemmen, geen paniek. Het was een raket, neergekomen in de buurt van de Amerikaanse ambassade. De Fransen moeten gaan, ook de VN-ster pakt haar biezen. Heel even is het oorlog. “Wel verdacht dat dit maanden lang niet gebeurd is, maar net nu jullie hier zijn…”

Oeps, denken wij, de laatste raketaanval hier vond plaats op de ochtend van onze aankomst in november. Toen werd het vliegveld beschoten en de residentie van de Canadese ambassadeur. We houden wijselijk onze mond.

We bellen een betrouwbare chauffeur die ons binnen tien minuten komt halen en sjeezen naar de plek van de inslag. Niks te zien, veel kalasjnikov-mannen van de politie, twee pantserwagens met westerse militairen, Italianen, veel heen-en-weer geloop. Het is rokerig, het ruikt naar kruit. De raket heeft de Amerikaanse ambassade, die waarschijnlijk zijn doelwit was, flink gemist. Het ding is neergekomen op het terrein van Kabul Tv. Een bewaker is gewond geraakt. Hij is allang afgevoerd. Op weg naar ons hotel geven we Darko een lift. Hij komt uit Bosnië en werkt hier al een tijdje voor de New York Times, als fotograaf. We zetten hem af bij zijn guest house. Weer een maatje erbij.

Die raketinslag was drie keer niks, stellen we vast. Maar een opmerking van Robert, dat het best te doen is om naar Uruzgan te gaan, “als je je maar kleedt als de lokale bevolking en reist met mensen uit de streek die je vertrouwt”, blijft hangen. “Ik heb het een jaar geleden ook gedaan. Nu is het er gevaarlijker, maar ik houd het goed bij en ik heb al heel lang niets gehoord over aanvallen in het gebied.” We wikken, we wegen. En we besluiten het niet te doen. Elke Afghaan die we tot nog toe vroegen naar Uruzgan, rolde zijn ogen ten hemel en zei: “Moellah Omar!”, niet zelden begeleid met een glijdend gebaar van vinger-langs-keel.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Robert heeft ons bikkelharde “Uruzgan is te gevaarlijk”-adagium op losse schroeven gezet. Als mijn hoofdredacteur dit leest, wordt-ie waarschijnlijk bloednerveus. We smeden een snood plan, waarover we nu nog niets kwijt willen. Het is iets met Mozes en de berg.

© tekst Joeri Boom en foto’s Jeroen Oerlemans / De Groene Amsterdammer

Advertenties

Geef een reactie so far
Plaats een reactie



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s



%d bloggers liken dit: