Ingedeeld onder: Uruzgan februari 2007

Eindelijk zijn we aangekomen op vliegbasis Kandahar - KAF in de soldatenmond, afgeleid van Kandahar Airfield. We worden ingekwartierd in tenten, net als de overige twaalfduizend militairen op de basis. Hier geen gepantserde containers zoals in Uruzgan, hoewel hier vaker raketaanvallen zijn.
Dat gaat zo, vertelt een militair die hier al een tijdje zit. Eerst hoor je iets gieren, dan de klap. Dan pas gaat de sirene. “Maar dan lig je al plat op je buik. Er ligt hier overal grind. Als dat opspat door een explosie kun je je flink verwonden.” Afgelopen zondag raakte een militair om die reden lichtgewond toen twee 107mm-raketten op de basis neerkwamen.
Het was een maand rustig geweest. Half januari had de laatste raketaanval plaatsgevonden. De reactie van een ISAF-woordvoerder zondagavond was lauw, schouderophalend bijna: “Dit is een van hun manieren om te zeggen: ‘Hallo, we zijn er nog!’ Het maximum aantal raketten dat ze tijdens een aanval op de basis gedumpt hebben is zes. Dus twee is niets abnormaals.”

Niet iedereen snapt die laconieke houding. Rico, die ik ontmoette op KAIA, is een van de vijfhonderd Nederlanders die hier gestationeerd is. Hij zit nog vast in Kaboel en vliegt pas morgen, als hij geluk heeft. “Als zo’n raket een tent raakt is het goed mis”, vertelde hij in Kaboel. “Er is al eens een eetzaal doorzeefd.” De bunkers op het terrein zijn volgens hem niet veel soeps. “Je kunt beter in Tarin Kowt zitten. Daar slaap je in een gepantserde container en zijn de bunkers gemaakt van hesko’s. Daar komt geen raket doorheen.”
Als ik zo eens naar de bunkers op KAF kijk, denk ik dat Rico gelijk heeft. Ze bestaan uit betonnen platen. Die kunnen minder hebben dan de dikke hesko’s. Dat zijn grote bakken gevuld met grind die op elkaar gestapeld worden. De lading van een 107mm-raket bestaat uit een paar kilo TNT. Dat lijkt me genoeg om de betonnen dakplaat van de KAF-bunkers te doen knakken. Ik vraag het aan een paar Nederlanders. De reacties variëren van: “geen idee” tot “dat wil ik niet weten”. Niemand kiest ervoor om bij een raketaanval - dus nadat de inslag heeft geklonken - met zijn neus in het grind te blijven liggen. Want er kan nog een raket komen. Vorige zomer kwamen bij één aanval vier raketten in het kamp terecht.
Arnon Grunberg beschreef zo’n aanval in zijn boekje Onder soldaten, waarin hij verslag doet van zijn reis naar Afghanistan als embedded writer. Het werd verspreid onder de manschappen en officieren. Ik leen het van kapitein Cynthia, die ik al eens ontmoete in Kaboel en vandaag mijn ‘aanspreekpunt’ is in Kandahar.
Arnon schrijft hoe na de klap en na de sirene de persofficier die hem begeleidde zijn tent kwam binnenrennen en hem zijn helm opdrukte, die vervolgens weer van zijn hoofd rukte om hem zijn scherfvest te kunnen aantrekken om hem daarna weer op zijn hoofd te planten. Arnon piekerde er niet over om een bunker in te gaan. “Ga dan maar onder je bed liggen”, riep de zenuwachtige persman. Maar daar was te weinig ruimte vond Arnon. Dus ging hij gewoon óp zijn matras liggen, zoals normale mensen zouden doen, zelfs als het oorlog was. Hij was dankbaar dat de paniekerige persman niet bovenop hem was gedoken, zodat hij nu rustig kon wachten op de volgende inslag. Die niet kwam.
Het heeft wel iets, de rustige kansberekening die Arnon maakte. Twaalfduizend man op een basis zo groot als Schiphol, een paar raketten die bepaald geen scuds zijn. Dat zal mijn tijd wel duren.
Maar de raket viel op vijftien meter van het Nederlandse ‘recreatiegebeuren’ de Dutch Corner. Dat leverde Arnon de prettige sensatie op dat er mensen waren die hem dood wilde en dat hij dus eindelijk bestond. Hoera, oorlog!
Vik Franke, die de intense documentaire 09.11 Zulu maakte over de Nederlandse commando’s in Tarin Kowt, had datzelfde gevoel toen hij beschoten werd. Samen met de commando-eenheid die hij volgde met zijn camera raakte hij verzeild in een hinderlaag waarbij de Nederlanders bijna helemaal werden omsingeld. Toen ze zich terugtrokken werden ze opnieuw aangevallen.
Toen ik hem een paar weken voor mijn vertrek sprak, vertelde Vik hoe hij een wapen leende. “Het was het wapen van de boordschutter die achter de punt 50-mitrailleur stond. Hij riep: ‘Hij is schietklaar Vik, hij staat op safe.’ Ik pakte de Diemaco en begon te schieten op de mondingsvlammetjes die ik uit een maïsveld zag komen. Het was een natuurlijke reactie. Ik zal je krijgen, dacht ik. Dus jullie willen mij dood? Hier pak aan!”
Vik is een aardige kerel en hij schroomt niet je uit te leggen hoe lekker het is om je leven te verdedigen als je niet anders kan. Ik begrijp dat wel. Tenminste: vanuit de gedachte dat mijn leven wordt bedreigd. En dat gevoel heb ik eigenlijk zelden. Wel heb ik de ervaring dat rondreizen in oorlogsgebied mijn leven een stuk simpeler maakt. Alles wat mijn denken en handelen in beslag neemt is gericht op mijn veiligheid, mijn verhalen en hoe ik ze in hemelsnaam op de redactie krijg. Ingewikkelde liefdes, collega’s, financiën en de afwas blijven me bespaard.
Terugschieten, zoals Vik, heb ik nog nooit gedaan. Als ik al eens in de situatie kom dat er om me heen wordt geschoten, kan ik me er helemaal niks bij voorstellen dat iemand mij iets zou willen aandoen. Ik zoek keurig dekking en volg braaf instructies op. Maar toch, ik weet: dit is een misverstand. Ik ben journalist, op mij hoef je niet te schieten; die kogels zijn niet voor mij bedoeld, dus waarom zou ik me zorgen maken. Het is een merkwaardig beschermingsmechanisme, maar het werkt. Het houdt mijn geest rustig en mijn lichaam scherp, want ik weet dat de kogels echt zijn. Blijkbaar heb ik de naïeve gedachte dat men het niet op mij voorzien heeft nodig om dit werk te kunnen doen. Want stel je eens voor dat het menens is, die oorlog. Dan bleef ik maar liever thuis.

Je moet Vik niet vragen of hij misschien mensen heeft gedood toen hij op de vlammetjes schoot en de testosteron door zijn lijf voelde gieren. Dan zegt hij: “Kijk, als je iemand vraagt of hij onlangs nog seks heeft gehad, dan kan dat nog nét. Maar als je vervolgens wilt weten of dat anaal was, of oraal, of op zijn hondjes, dan stel je een impertinente vraag.”
Kapitein Cynthia brengt me naar kolonel Erik van Heumen, de commandant van de Air Taskforce (ATF). Hij heeft 250 Nederlanders onder zijn hoedde. Het leeuwendeel houdt zich bezig met de Apache-gevechtshelikopters op Kamp Holland in Tarin Kowt en met de Cougar-transportheli’s en de F16’s op KAF. Hij legt uit dat er eigenlijk geen inzet van grondtroepen mogelijk is zonder luchtsteun. “De missie ligt hier, zegt hij. “Wij zien alles en volgen alles. Geen konvooi zonder helikopter.”
Hij is zelf helikopterpiloot. Hij vloog in Alouettes. Maar als commandant vlieg je niet. Dat vindt hij jammer, maar ach, zegt hij, hij heeft zijn vliegtijd wel gehad. Maar niet in oorlogsomstandigheden, opper ik. Gevechtsvluchten lijken me toch de krenten in de pap voor een serieuze piloot. “Nou”, zegt hij, “geloof me maar: het commando van de ATF brengt genoeg spanning met zich mee.”
We komen te spreken over de acties van de Apaches in Uruzgan. Die zijn grotendeels geheim, maar hij kan er wel iets over kwijt. De Apache, legt hij uit, heeft sensoren die het beeld 126 keer kunnen vergroten. “Dus kunnen wij van grote afstand zien of iemand een wapen draagt.” Hij vertelt hoe een Apache eens een groep strijders waarnam die kameraden aan het begraven waren. “We besloten het vuur niet te openen. Ze vormden geen dreiging, redeneerden wij. Dus laat ze eerst maar hun doden begraven”, zegt hij.
Heeft de Apache gewacht tot na de begrafenis en zijn de mannen daarna alsnog gedood? En hoeveel kills heeft de ATF eigenlijk op zijn naam staan? Onlangs nog zouden twintig strijders in Uruzgan zijn gedood met hellfire-raketten. Ik stel deze vragen niet. Ik verzaak en ik weet het. Ik kan er niets aan doen. Ik moet denken aan wat Vik zei, over de impertinentie van de kill question en de ranzige details van seks. Ik moet nog eten en ik heb de stijle duikvlucht van het Franse vliegtuig dat ons naar KAF bracht nog in mijn buik. Ik ben een beetje misselijk.
Gelukkig spreek ik (als het lukt) in Tarin Kowt commandant Onno Eichelsheim, die leiding geeft aan de helikopters daar. Misschien dat het me dan wél lukt om me te gedragen als een onverschrokken journalist.
1 Reactie tot nu toe
Plaats een reactie
Plaats een reactie
Automatische regel en alinea afbreking, email adressen nooit getoodn, toegestane HTML:
<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>
De meningen zijn verdeeld over de acties van Vik. De buitenlandse journalisten (Al Jazeera en Times) waren niet blij met die “sex-ervaring” van Vik. De journalist is net als een non.
Reactie door Mark februari 27, 2007 @ 4:31 pm